De Juniorquiz van 2002 - de antwoorden
1. Antwoord C is juist.
Zoet water is eigenlijk een rare naam. Eigenlijk zou je moeten zeggen ‘zoutloos’ water. Zeezoogdieren leven in een omgeving van zout water. En dat water is flink zout. In een kilo zeewater zit wel zo’n 35 gram zout. Dat is veel te zout om te drinken.
Zeezoogdieren drinken eigenlijk helemaal niet. Alleen als ze jong zijn, dan zogen ze bij hun moeder. Maar zodra ze niet meer bij hun moeder drinken, stoppen ze met drinken.
Hoe komen zeezoogdieren dan aan zoet water? Filteren ze dat uit het zoute water. Nee!
Dat krijgen ze binnen via de vissen die ze eten. Een vis heeft wél een systeem in zijn lichaam om het zout uit te filteren. Een vis kan dus van zout water wel zoet water maken. (Het water in een vis is eigenlijk niet helemaal zoet, net als het water in je eigen lichaam bevat het ook een beetje zout) . Een walrus eet bijvoorbeeld 40 kilo vis per dag. Een vis bestaat voor 70 procent uit water.
Dan krijgt een walrus per dag zo’n 28 kilo water binnen en die komen overeen met 28 liter. Behoorlijk veel zoet water dus.
2. Antwoord A is juist.
Van dichtbij lijken de golven die een schip geeft heel wat, maar op de grote zee vallen ze meestal in het niet. De wind waait ook niet altijd vanuit de zee naar het land. Denk maar eens aan de storm afgelopen oktober toen er mensen de zee in waaiden.
Golven ontstaan door de wind. De wind die over het oppervlak van de zeeën en oceanen waait, maakt lange golven die wel duizenden kilometers ver kunnen voortbewegen. Die golven komen bijvoorbeeld bij Het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk de Noordzee binnen.
De zee wordt ondieper als je dichter bij de kust komt. Als een golf de kust schuin nadert, zal het gedeelte van de golf dat het eerst in het ondiepe water komt een beetje worden afgeremd. De golf in dieper water gaat even hard verder. Daardoor draait de hele golf een stukje naar het strand toe. De golven draaien net zolang tot ze precies recht op het strand afkomen.
Doe maar eens een proefje met een wagentje met twee losse wielen naast elkaar. Rij eerst over een gladde tafel. Het wagentje gaat rec htdoor. Strooi een stukje verder een beetje zand op de tafel en laat het wagentje met één wiel in het zand terecht komen. Je zult zien dat het wagentje naar het zand toedraait, omdat het wiel door het zand wordt afgeremd.
Als golven door een oplopend strand worden afgeremd, zullen ze op dezelfde manier naar de kust draaien. Dus bewegen de golven zowel in Nederland als in Engeland naar de kust toe. Zelfs als de wind van het land naar de zee blaast, komen er vaak nog golven binnen.
3. Antwoord B is juist.
De lichte skispringer komt verder. Net als een zweefvliegtuig vliegt een schansspringer als hij de schans verlaat een stukje in de lucht. Zijn lichaam en de skies vormen een soort vleugel. De langsstromende lucht drukt de schansspringer omhoog. Maar tegelijk trekt zijn gewicht hem omlaag. Hoe zwaarder de schansspringer is hoe sneller hij daarom beneden is. Per kilo lichaamsgewicht kan dat gauw een paar meter schelen. Een zware schansspringer gaat wel iets sneller de schans af, maar omdat hij zwaarder is landt hij ook sneller beneden in de sneeuw. Skischansspringers zijn daarom altijd op dieet om zo licht mogelijk te zijn.
In de uitzending demonstreerde Domingo Boland dat door eerst gewoon te springen en daarna met een hesje van 2,4 kilo aan. Zonder hesje sprong hij (zweefde hij) 3 meter verder.
4. Antwoord C is juist.
Veel mensen denken dat de schaduw van de aarde op de maan valt. Maar dat is alleen zo bij een maansverduistering. De maan geeft zelf geen licht. Was dat wel zo dan was ze, net als de zon, ook elke dag vol. De maan weerkaatst alleen het licht van de zon.
Wat is er bij volle maan dan wel aan de hand? De maan draait om de aarde in 27,3 dagen. De zon verlicht alleen dat deel van de maan dat naar de zon gekeerd is. De andere helft is donker.
Als de aarde tussen de zon en de maan staat, zien we de maan precies helemaal verlicht. Het is dan volle maan. De maan is eigenlijk maar één nacht echt vol, want een dag later is ze al weer een stukje verder in haar baan om de aarde.
Staat de maan, gezien vanaf de zon, naast de aarde, dan zien we een halve maan. We spreken vaak van wassende maan (eerste kwartier) of van afnemende maan (laatste kwartier).
Staat de maan tussen de aarde en de zon dan is alleen de achterkant van de maan verlicht. Die zijde kunnen we vanaf de aarde niet zien. Het is ’s nachts dan ‘ maanloos’. Dat heet nieuwe maan.
5. Antwoord B is juist.
Je darmen lijken een beetje op een moeras. In een moeras zitten veel bacteriën die gas maken. Het gas stijgt op als bubbels en ontsnapt aan de oppervlakte. De bacteriën in je darmen maken ook gas, terwijl ze je eten verteren. Per dag maken de bacteriën wel zo’n 1 tot 1,5 liter gas. Bij mensen moet dat gas er ook uit. Meestal gebeurt dat via scheten.
Wat gebeurt er nu met een scheet die je niet laten kunt (omdat je in gezelschap bent bijvoorbeeld). Wordt het een boer? Nee, een boer is lucht die je inslikt of via frisdrank binnen krijgt. Denk maar eens aan de boertjes die je moet laten als je cola gedronken hebt. Komt hij er later met veel kracht toch uit? Nee, ook dat is niet het geval. Het gas komt gedeeltelijk in de poep die daardoor een beetje luchtig wordt. En het gas kan ook via je darmen in het bloed terechtkomen.
En wat gebeurt er als dat gas in je bloed komt? Dan adem je het even later gewoon uit. Wees daarom niet bang voor slechte adem, want dat gas stinkt dan niet meer. Wist je trouwens dat iedereen gemiddeld 8 tot 25 scheten per dag laat?
6. Antwoord B is juist.
Tijdens een onweer raakt een donderwolk geladen met heel veel elektrische deeltjes. Die lading maakt dat de wolk onder hoogspanning staat. Een donderwolk heeft een spanning van wel 100 miljoen volt (thuis komt er maar 230 volt uit het stopcontact).
In een donderwolk wordt de spanning van die deeltjes zo groot dat de lading er gewoon afvliegt, door de lucht: dat is de bliksem die we zien.
Een auto is meestal van metaal en metaal geleidt die elektrische deeltjes heel goed. Slaat de bliksem in op een auto dan wordt de auto ook met deeltjes geladen. Het vreemde van die geladen deeltjes is dat ze elkaar wegduwen. Ze willen zover mogelijk uit elkaar zitten. Ook in het metaal van de auto duwen de geladen deeltjes elkaar aan de kant, totdat ze zo ver mogelijk uit elkaar zitten. Zo komen ze allemaal op de buitenkant van het metaal te zitten en zit er geen lading meer aan de binnenkant van het metaal. Daardoor ben je binnen in een auto perfect veilig. Ook bij een gesloten metalen boot is dat zo. De deeltjes du wen elkaar naar de buitenkant van het metaal en dus zit je binnen veilig.
Als het bootje in het water ligt, kan de lading meteen naar de aarde wegvloeien. Dat gebeurt ook als de auto geen banden heeft. De rubberbanden van een auto zijn dus helemaal niet belangrijk. Een bliksemschicht is namelijk wel een kilometer lang, zodat die 20 cm autobandjes ook geen verschil maken.
7. Antwoord C is juist.
Bijna iedereen denkt dat een kameleon de kleur van zijn omgeving kan aannemen. Zo zou hij rood-wit-blauw moeten worden, wanneer je de kameleon op de Nederlandse vlag zet, en verschijnen er allemaal letters op zijn vel, wanneer je hem boven op een boek zet. Dat maakt de kameleon ook een geliefd figuur voor tekenfilms.
Maar de werkelijkheid is anders. Kameleons veranderen vooral van kleur onder invloed van hun stemming, zoals boosheid, angst, opwinding of als hij wil paren. Dan verandert hij pas echt van kleur. Daarnaast kunnen deze dieren nog een beetje van kleur veranderen door de temperatuur, zonlicht of door de vochtigheid van de lucht.
Tekenfilms, reclames en verhalen over kameleons die in een flits het streepmotief of het stippenpatroon van hun omgeving aannemen zijn dus onzin.
8. Antwoord C is juist.
Zeep is een raar goedje. Het bestaat uit heel kleine deeltjes (moleculen) die een kop en een staart hebben. De kop van een zeepdeeltje houdt erg van water. De staart houdt helemaal niet van water, maar wel van vet. Als je je handen met zeep wast, gaan de staarten van de zeepdeeltjes in het vet vastzitten en omringen het hele vetdeeltje. Daardoor komt het vet los van je hand en kan je het makkelijk met water afspoelen.
Een zeepbel bestaat uit drie lagen. De buitenlaag bestaat uit zeepdeeltjes die met hun waterafstotende staart naar buiten wijzen. De middelste laag bestaat uit een heel dun laagje water waar de kopjes van de zeepdeeltjes aan vast zitten. De binnenlaag bestaat ook weer uit een laagje zeepdeeltjes. Hun kopjes zitten vast aan het water, maar de staarten wijzen naar binnen.
Steek je een droge vinger in een zeepbel dan druk je de zeeplagen uit elkaar en komt er een gat in de bel. Het water kan weg en de bel springt kapot.
Heb je je vinger in het zeepsop gedoopt, dan zit er om je vinger ee n dun laagje zeepsop. Als je dan je vinger in de bel prikt wordt de zeepbel één geheel met het laagje zeepsop dat om je vinger zit. Het water kan niet weg en de zeepbel blijft heel. Je vinger wordt eigenlijk een deel van de bel.
