De Juniorquiz van 2000 - de antwoorden
1. Het goede antwoord is A.
Melk en karnemelk bestaan beide uit water met daarin deeltjes vet en eiwitten. Dus de antwoorden b en c zijn fout. Er is één groot verschil, karnemelk is zuur en melk niet. Het zuur maakt dat karnemelk strepen achterlaat. De deeltjes in de melk zijn zo klein dat ze in de melk blijven zweven. Dat is bij karnemelk niet zo. In karnemelk zijn de deeltjes veel groter. Die blijven niet goed zweven. Als je karnemelk een tijdje laat staan, zinken die deeltje en drijft er water op de karnemelk. De grote deeltjes in de karnemelk komen door het zuur. Karnemelk is namelijk gemaakt van melk met speciale bacteriën die een zuur maken. Dat zuur maakt de kleine eiwitdeeltjes in de melk stuk en zorgt ervoor dat ze aan elkaar gaan kleven, zodat ze veel groter worden. Daardoor is karnemelk ook veel dikker dan gewone melk. De deeltjes in karnemelk zijn wel duizend maal zo groot als in de melk.
Maar hoe ontstaan nu die strepen? De grotere en kleine klontjes zijn nogal plakkerig en blijven dus makkelijk aan het glas hangen. Dat is goed te zien. Sommige klonters zijn alleen zo zwaar dat ze naar beneden zakken. Ze duwen als een sneeuwschuiver de iets lichtere klontjes weg of slepen ze mee. Zo laten ze een schoon spoor achter.
Dat dit verschijnsel echt door het zuur komt kun je uitproberen door een beetje azijn in gewone melk te gieten. Je zult zien dat de melk dik wordt en gaat klonteren. Het is gewoon 'zure melk' geworden. Gooi je die weg (niet opdrinken, het smaakt niet) en laat je het lege glas staan dan zie je dat er ook strepen komen.
2. Antwoord B is goed.
De ogen van zowel mensen als dieren moeten nat gehouden worden. Denk maar aan een raam waar stof op komt. Daar kun je slechter doorheen kijken. Dat moet schoongemaakt worden. Bij de ogen gebeurt dat door steeds met je oogleden te knipperen. Je oogleden zijn eigenlijk een soort ruitenwissers. In je ooghoeken zitten traanklieren die steeds een beetje vocht in je ogen brengen. Door het knipperen verspreidt het vocht zich en veegt het je oog schoon.
Dieren hebben ook traanklieren. Bij sommige dieren zie je daarom ook wel eens tranen, maar niet omdat ze verdrietig zijn. Zo hebben schildpadden veel tranen als ze hun eieren naar buiten persen. Huilen van verdriet met tranen doen alleen mensen.
Dieren kunnen ook wel verdrietig zijn, maar dat uiten ze nooit door met tranen te huilen. Dieren laten bijvoorbeeld een plasje of gaan hard gillen zoals honden of wolven dat doen. Maar ze laten geen traan. Waaróm mensen met tranen huilen weten we niet precies.
3. C is goed.
Je krijgt, als je op je hoofd staat een rooie kop, omdat er meer bloed naar de hoofdhuid stroomt. Daarom loop je rood aan. Maar een rood hoofd krijg je niet omdat al het bloed uit je voeten wegstroomt. Als dat zo zou zijn zouden je benen snel doodgaan. Ook kunnen je hartkleppen niet verkeerd om werken. Dus antwoord C moet goed zijn, je darmen. Maar wat hebben die er mee te maken?
Als je op je kop hangt drukken je darmen opeens op je middenrif (een dik vel in het midden van je borst). Omdat je darmen op dat middenrif drukken neemt de druk in de borstholte toe. Het hart pompt bloed naar het hoofd maar het is door de toegenomen druk moeilijk om het weer terug het hart in te krijgen. Daardoor blijft er meer bloed in je hoofd achter dan normaal. Het hoopt zich op in je hoofd en dus ook in de hoofdhuid, waar het doorheen schijnt. Hetzelfde gebeurt als je heel hard perst (bijvoorbeeld bij het poepen of als een gewichtheffer zijn halter omhoog drukt). De druk in de borstholte stijgt en dus ook de druk op het hart. Antwoord C is dus juist, het komt door het gewicht van je darmen.
4. Antwoord B is goed.
De poolster (Polaris) kun je aan de heldere hemel vinden door in het Noorden naar een steelpannetje met een kromme steel te zoeken. De heldere ster aan het eind van de steel is de poolster.
Eigenlijk draaien niet de sterren, maar is het de aarde die elke dag één keer rond haar as draait. Maar omdat jezelf op de aarde staat en meedraait lijkt het alsof de sterren draaien.
Nu kan je een denkbeeldige lijn trekken van de zuidpool naar de noordpool, dwars door de aarde heen. De aarde draait om die lijn, de aardas, heen. Als je die lijn heel ver doortrekt, de ruimte in, kom je uit bij een ster. Dat is de poolster. De hele sterrenhemel lijkt te draaien om die ster. Maar dat komt alleen maar omdat die ster toevallig boven de noordpool staat. Daarom lijkt hij stil te staan. (Bijna stil, want de poolster staat niet precies boven de noordpool)
5. C is het goede antwoord.
De huid laat van binnen naar buiten water door. Het water vloeit door speciale kliertjes als je het te warm hebt. Dat noemen we zweten. Op die manier koel je een beetje af.
Maar kan er ook water van buiten naar binnen? Nee, dat kan niet. Stel dat je via je huid water kon opnemen dan zou je als je in bad ligt langzaam maar zeker opzwellen. Dat is gelukkig niet het geval.
Alleen het buitenste laagje van de huid kan een beetje water opnemen. Dat zie je ook als je heel lang in bad zit of in het zwembad hebt gelegen. Je huid gaat dan rimpelen. Die buitenste laag van de huid (de opperhuid) neemt dan wat water op en zet een beetje uit. Daardoor verandert je vel een soort ruime jas, hij gaat rimpelen. Het water komt niet verder dan het buitenste laagje huid. Als je van plan bent om een paar dagen in bad te gaan zitten en niet te drinken, zul je wel degelijk dorst krijgen en uitdrogen.
6. Antwoord A is juist.
De pulkjes in je neus ontstaan door een combinatie van slijm en huiddeeltjes en stof van buiten. Aan de binnenkant van je neus is het steeds vochtig. Daarvoor zorgen de slijmvliezen aan de binnenzijde van je neus. Het slijm is nodig om de lucht die je inademt een beetje vochtig te maken en om het stof uit de lucht te filteren. Daartoe worden kleine haartjes in je neus steeds vochtig gehouden door het neusslijmvlies. Het neusslijm is een soort huidplaksel. Als er bij het inademen stof langs blaast, blijft het plakken. Zo blijven je longen schoon. Neusslijm met stof droogt langzaam in, maar er komt voortdurend een nieuw laagje slijm bij. Daar blijft weer nieuw stof aan plakken totdat je een flinke klodder hebt die er echt uit moet.
7. Antwoord B is juist.
Antwoord B is juist, kleine deeltjes in de lucht verspreiden blauw licht. Maar waar komt dat blauwe licht vandaan? Dat komt van de zon. Nou lijkt het alsof het licht van de zon helemaal niet blauw is maar geel of wit. Toch bestaat het licht van de zon uit verschillende kleuren, blauw, groen, geel, oranje; de kleuren van de regenboog.
Er zit dus blauw licht in het zonlicht. Maar waarom is de lucht dan blauw? Dat kan je zelf uitvinden met het volgende proefje. Neem een glazen schaal met water of een aquarium en doe er een paar druppels melk in. Schijn er nu met een zaklamp doorheen, dan zie je iets soortgelijks als in de lucht gebeurt. Dichtbij de lamp is het water blauwig maar als je aan de andere kant van de schaal in de lamp kijkt dan lijkt het wel een ondergaande zon, rood-oranje. Dat komt omdat melk uit hele kleine deeltjes bestaat die het blauwe deel van het licht verspreiden. Maar ze laten het rode deel van het licht gewoon door. Al het blauwe licht wordt dus in het begin van het aquarium verspreid en er blijft aan het eind alleen nog maar oranje en rood licht over.
Wat heeft dat nu met de blauwe lucht van de hemel te maken? In de dampkring rond de aarde zit veel heel fijn stof, te vergelijken met de melk die in het proefje in het water deed. Overdag staat de zon recht boven je. De stofdeeltjes verspreiden bijna al het blauwe licht. Daardoor is de hemel overdag blauw. Aan het eind van de dag, als de zon ondergaat, moet het licht een veel langer stuk door de lucht afleggen, het blauwe licht is dan net als in het aquarium allang verdwenen en blijft er voornamelijk rood en oranje over.
Daarom is de zonsondergang zo mooi oranje en rood.
8. Antwoord C is juist.
Bacteriën zijn bijzonder klein en hebben geen mondje of een kontje. Ze hebben alleen uit een soort huidje met heel kleine gaatjes. Bacteriën hebben om te leven voedsel nodig. Dat voedsel krijgen ze binnen door de gaatjes. Ze halen uit dat voedsel energie, zodat ze zich ook kunnen voortplanten. De bacteriën kunnen niet al het voedsel gebruiken. Wat ze niet kunnen gebruiken komt door die gaatjes in hun huid weer naar buiten. Dat afval is niet vast zoals poep maar het is vloeibaar of gasvormig. Ze poepen dus niet maar je kan wel zeggen dat ze plassen en windjes laten. Het zuur in de karnemelk is eigenlijk bacteriepies. En de stank van je poep of van je zweetvoeten zijn eigenlijk windjes van bacteriën.
9. Antwoord A is juist.
Muggen hebben bloed nodig om eieren te kunnen leggen. Het zijn dan ook de vrouwtjes die prikken. Zoet bloed doet er helemaal niet toe en dat van die dunne huid is ook onzin. Maar muggen kunnen wel goed ruiken. Als ze de keuze hebben nemen ze mensen die zij lekker vinden ruiken. En welke geur vinden muggen lekker? De geur van stinkkaas bijvoorbeeld.
Nou is het niet zo dat mensen die vaak geprikt worden een enorme stank van tenenkaas verspreiden. Het gaat om een klein beetje geur, zo weinig dat je het zelf nauwelijks ruikt. En waar komt die geur vandaan? Van windjes van bacteriën. Iedereen heeft op zijn huid bacteriën die gas maken. Maar sommige mensen hebben meer van de ene soort dan van de andere. Als je pech hebt om meer bacteriën op je huid te hebben die bijvoorbeeld de geur van tenenkaas maken, vinden muggen je extra lekker en steken ze jou liever.
10. Antwoord B is goed.
Lucht bestaat uit deeltjes. Als lucht warm is dan bewegen die deeltjes heel snel en botsen ze de hele tijd hard tegen elkaar aan. Ze stoten elkaar steeds weg. Maar hoe kouder de lucht wordt hoe minder de deeltjes bewegen en hoe minder ze elkaar weg zullen stoten. Daardoor kunnen ze dichter bij elkaar komen. Warme lucht die afkoelt gaat zodoende krimpen. Hoe zit het met de deur van de diepvriezer?
Als je de deur opent komt er warme lucht in. Doe je de deur dicht dan koelt die lucht snel af en gaat krimpen. Omdat de deeltjes binnen in de vrieskist door het afkoelen minder hard botsen, zullen ze ook minder hard tegen de deur duwen dan de warme deeltjes aan de buitenkant van de vriezer. De warme deeltjes buiten de vriezer duwen dus de deur stevig dicht.
Het krimpen van de lucht kan je goed zien door een dichte plastic Spa-fles met warme lucht in de vrieskast te zetten. De warme deeltjes drukken samen even hard tegen de binnenkant van de fles als de koude deeltjes tegen de buitenkant van de fles drukken. Maar omdat de lucht in de fles afkoelt en er geen nieuwe lucht bij kan komen (de fles is dicht) gaan de deeltjes binnen in de fles minder bewegen. Ze drukken dan minder hard tegen de wand van de fles en de lucht in de fles gaat krimpen. Omdat de druk binnen in de fles kleiner is dan de druk buiten de fles wordt hij in elkaar gedrukt. Draai je de dop eraf dan hoor je lucht naar binnen stromen en zal de fles weer zo'n beetje in zijn oorspronkelijke vorm terugkeren.
