Wetenschapsquiz Junior

De Juniorquiz van 1999 - de antwoorden

1. Antwoord C is juist.

Begrippen als wervelwind, orkaan, cycloon en tornado worden door elkaar heen gebruikt. Toch zijn het niet allemaal dezelfde verschijnselen. Een orkaan is gewoon een keiharde wind (100 km/u), een cycloon is een tropische orkaan (100 - 200 km/u) en een tornado is een zeer plaatselijke wervelwind met enorme snelheden die een smal spoor van vernielingen trekt (meer dan 200 km/u). Tornado's zijn zeer gevaarlijk. Met hun slurf zuigen ze letterlijk alles op.

Voor een tornado heb je warm zomerweer nodig en een zware onweersbui. Onder de onweerswolk regent het en wordt de lucht kouder, maar de grond aan de voorkant van de wolk is nog heel warm. Warme lucht is lichter dan koude lucht. De koude lucht onder de wolk zal dan ook dalen en de warme lucht aan de voorkant van de wolk zal heel snel gaan opstijgen. Daardoor kunnen aan de rand van de wolk donkere uitsteeksels ontstaan die steeds dichter bij de grond gaan hangen. Ze vormen een soort trechter die uiteindelijk de grond raakt.

Als er nu een harde wind bovenin de wolk waait of de wolkentrechter raakt bijvoorbeeld een heuvel, dan heb je kans dat die trechter gaat draaien. Er ontstaat dan een draaikolk van lucht, de bekende slurf die alles omhoog zuigt en zelfs daken van huizen kan tillen. Bijna niets is veilig voor zo'n tornado.

Tornado's komen veel voor in Amerika; in Nederland slechts heel af en toe. Op 25 juni 1967 trokken er tornado's over een paar Nederlandse dorpen. Daarbij vielen zelfs doden.

2. Antwoord A is juist.

Als je eten in je mond stopt, dan slik je ook lucht in, maar die lucht komt er altijd weer aan de bovenkant uit. Dat noemen we boeren. Dus antwoord C is niet goed. Ook is het niet zo dat uien of bonen veel gas bevatten. B is dus ook niet goed. Uien en bonen bevatten wel stoffen die voor bacteriën lastig te verteren zijn. Het zijn namelijk de bacteriën in je darmen die voor de scheten zorgen.

Bacteriën in je darmen maken van het eten bouwstoffen voor je lichaam. Maar lang niet alles wat we eten kan gemakkelijk door bacteriën worden verwerkt. Wat niet kan worden verteerd wordt poep. En bij dat verteren ontstaat ook altijd gas. Bonen en uien (maar ook ananas, banaan, macaroni, champignons, druiven, witbrood) bevatten stoffen die heel lastig te verteren zijn en daardoor ontstaat er meer gas.

Iedereen, echt iedereen, laat scheten. De meester of juf op school, de presentatrice van het Jeugdjournaal, en ook onze koningin. Gemiddeld laat iedereen per dag zo?n veertien kleine of grote scheten.

3. Antwoord C is juist.

Antwoord A klopt niet, omdat planeten juist uit sterren ontstaan en niet andersom. B klopt ook niet, er zwerft geen fluorescerend stof door de ruimte. Wat wel door de ruimte zwerft zijn enorme gaswolken. Die gaswolken trekken, door de zwaartekracht, langzaam naar elkaar toe. Op een gegeven moment is er zoveel gas samengetrokken dat er een bol ontstaat die licht gaat geven. Dat noemen we dan een zon. Elke zon is dus een ster en er zijn vele miljarden zonnen. Zo'n zon blijft niet eeuwig bestaan. Onze zon bijvoorbeeld is over 5 miljard jaar op. Wat er overblijft is een klein bolletje en een grote gaswolk. Die gaswolk kan later met andere gaswolken weer gaan samentrekken en een nieuwe zon vormen. Die gaswolken zijn dus de geboorteplaatsen van sterren.

In het heelal zwermen heel veel grote gaswolken rond. Je kunt ze ook zien, zelfs met het blote oog in het sterrenbeeld Orion dat ´s winters mooi is te zien, maar voor de meeste gaswolken heb een goede telescoop nodig.

4. Antwoord B is juist.

Hoe ronder de vorm des te meer kan er in. Als iets perfect rond is, kan er dus het meeste in. Dat kun je ook berekenen. Bereken daarvoor eerst wat de oppervlakte van de cirkel is en wat de oppervlakte van het vierkant is. Dat vermenigvuldig je met de lengte (volume is oppervlakte maal de lengte). Als l de lengte van een zijde is, dan kom je erop uit dat bij de ronde koker de inhoud 1/12,56 * l3 is en bij de vierkante koker de inhoud 1/16 * l3.

Je kunt het ook bedenken. De oppervlakte van het papier en inhoud hebben niet zoveel met elkaar te maken. De vorm waarin het papier wordt gevouwen en de inhoud hebben wel - en zelfs alles - met elkaar te maken. Neem bijvoorbeeld een tube tandpasta. Als die vol zit is hij bijna rond. Als je erin knijpt, verander je de vorm en als je de vorm platter maakt, dan kan er minder in de tube. Of neem een plastic fles met water. Op welke manier je de (ronde) vorm verandert, altijd zal er water uit gaan. De ronde vorm heeft dus de grootste inhoud.

5. Antwoord C is juist.

Elke haar op je lichaam groeit in een klein haarzakje in je huid. In dat zakje zit de haarwortel die steeds nieuwe haarcellen maakt. Die nieuwe cellen duwen de oudere haarcellen naar buiten. Zo groeien haren, iets meer dan 2 millimeter per week, ofwel bijna 11 centimeter in een jaar. Maar dat gaat niet je hele leven zo door. Elk haarzakje neemt af en toe rust en stopt dan met haarcellen maken. Daardoor komt het haar los te zitten en valt uit. Dat zijn de losse haren die je op je kussen, in je eten of in het afvoerputje vindt.

Pas na een paar weken gaat er in het zakje weer een nieuwe haar groeien. Bij het hoofd gaat het haarzakje wel een paar jaar door met haar maken. Als je je haar niet knipt, kan zo'n haar dus behoorlijk lang worden voordat hij uitvalt. Hoe vaak zo'n haarzakje pauze neemt, verschilt van persoon tot persoon. Daarom kan de een heel lang haar krijgen en de ander niet .En ook is het niet overal op je lichaam hetzelfde.

De haarzakjes waar schaamharen in groeien, rusten veel vaker, al na zo?n negen maanden. Schaamharen stoppen dan met groeien en dus kunnen ze nooit echt lang worden; maar een centimeter of zeven.

Gelukkig nemen al die haarzakjes niet allemaal tegelijk pauze, want anders zou het een kale boel worden.

6. Antwoord A is juist.

Kijken naar je spiegelbeeld is kijken naar weerkaatst licht. Het gladde metalen oppervlak van een lepel kan ook een heel leuke spiegel zijn. Hoe een spiegel de lichtstralen precies weerkaatst heeft alles te maken met de vorm van de spiegel. Denk maar eens aan lachspiegels - die hebben heel rare vormen en geven ook heel rare spiegelbeelden. Hoe komt dat?

Als een spiegel vlak is en je laat er een lichtstraal recht op vallen, dan kaatst de spiegel die lichtstraal ook recht terug. Laat je twee lichtstralen recht in de spiegel schijnen, één boven en één beneden, dan worden ze keurig recht teruggekaatst. Boven blijft boven en beneden blijft beneden. Als je de spiegel hol gaat maken, dan worden de stralen niet meer recht teruggekaatst maar wordt de bovenste lichtstraal naar beneden gekaatst en de onderste straal naar boven. De stralen zullen elkaar gaan kruisen. En omdat kijken naar je spiegelbeeld hetzelfde is als kijken naar weerkaatst licht, wordt je spiegelbeeld ook omgekeerd. Trouwens niet alleen onder en boven zijn verwisseld, ook links en rechts.

7. Antwoord A is juist.

Mensen hebben nooit een staart gehad. 3,5 miljoen jaar geleden ontstond de mens uit een apensoort. We gingen rechtop lopen en we kregen grote hersens waardoor we gereedschap gingen maken. Net als de chimpansees, de gorilla's en de orang oetan stammen we af van een apensoort die geen staart had. Je mag dus zeggen dat de mensen nooit een staart hebben gehad.

Antwoord C lijkt goed maar is het niet. Een baby heeft een heel klein staartje als hij nog heel klein is in de buik van de moeder. Maar dat kleine staartje verdwijnt als het babytje nog maar een paar weken in ontwikkeling is en dan moet het nog maanden in de buik van de moeder zitten voordat het eruit komt. De laatste botje van je ruggengraat zijn eigenlijk nog restanten van staartbotjes, het staartbeentje genoemd.

8. Antwoord B is juist.

Wat is een jaar eigenlijk? Als de aarde één keer om de zon draait, is er één jaar voorbij. In één jaar is het ook 365 keer dag en nacht geweest, dus zitten er 365 dagen in één jaar- of toch niet? Als je wat preciezer gaat meten zie je dat de aarde er 365 dagen en een kwartdag over doet om één keer om de zon te draaien. Maar ja, een kalender met 365 hele dagen en één kwartdag is niet handig. Dus lieten ze lang geleden die kwartdag maar weg, maar dat was ook onhandig.

Julius Caesar, één van de keizers in het oude Romeinse Rijk, besloot dat die kwartdagen moesten worden opgespaard zodat er na vier jaar één hele dag over zou zijn. In dat vierde jaar gaf hij februari een dag erbij en had de maand dus 29 dagen in plaats van 28 dagen. 29 februari noemen we een schrikkeldag en een jaar met een schrikkeldag heet een schrikkeljaar.

Na zo'n schrikkeljaar loopt onze kalender weer gelijk met de baan van de aarde om de zon. Het jaar 2000 is een schrikkeljaar.

9. Antwoord C is juist.

Vanaf je pink en je ringvinger loopt een zenuw, een soort elektriciteitsdraad, naar je hersenen. Die zenuw (de Nervus ulnaris) loopt van die vingers door je onderarm net tussen de botten van je elleboog door. Het is een van de weinige dikke zenuwen die vlak onder de huid liggen. De punt van je elleboog steekt nogal uit en als je hem stoot, dan glijd je langs de punt en komt die zenuw klem te zitten, waardoor er plotseling hard op wordt gedrukt. Door de druk gaat die zenuw ineens elektriciteit maken die je dan als een schok in je arm en je vingers voelt. Het wordt door veel mensen het telefoonbotje genoemd, maar er bestaat helemaal geen telefoonbotje. Toch voelt het wel alsof er ineens keihard een bel in je arm gaat.

10. Antwoord A is juist.

Om een auto te laten stilstaan trap je op het rempedaal. Daardoor worden er remblokken op de wielen gedrukt, zodat deze ophouden met draaien. Alles wat aan de auto vastzit zal dan mee afremmen en alle dingen die niet aan de auto vastzitten blijven gewoon doorbewegen. Dat komt doordat 'alles wat in beweging is en niet tegengehouden wordt zal blijven doorbewegen'- dat zei de beroemde geleerde Isaac Newton al. En uit het feit dat je vooruitschiet in een remmende auto blijkt dat hij gelijk had.

Als je geen autogordel draagt, staat de auto misschien wel stil maar je lichaam blijft gewoon doorbewegen omdat er niets is dat je tegenhoudt. Daarom zijn die autoriemen uitgevonden. Ze zorgen ervoor dat je min of meer vastzit aan de auto. Ze werken als een rem op je lichaam. Een autoriem zit namelijk wel vast aan de auto. Je schiet een beetje vooruit en dan voel je heel duidelijk dat de riem aan je trekt.