De Juniorquiz van 1998 - de antwoorden
1. Het goede antwoord is A.
Apenverzorger Ger van der Kroon weet het. Hij werkt al 34 jaar in Artis. Hij demonstreerde in de televisie-uitzending overtuigend dat sommige apen wel degelijk kunnen lachen als je ze kietelt. Als je een chimpansee kietelt, trekt hij zijn bovenlip over zijn tanden en begint hij luid te kraaien van plezier. Dat de chimpansee het leuk vindt, blijkt uit het feit dat hij er niet genoeg van kan krijgen. Het is natuurlijk een ander soort lachen dan mensen doen. Een mop begrijpen apen niet. Apen kunnen ook niet huilen zoals mensen dat doen, wel kunnen ze verdrietig zijn. Dat ze niet kunnen huilen betekent niet dat ze ook niet kunnen lachen.
2. Het goede antwoord is C.
Stenen in de bergen bevatten een klein beetje zout. Als er water over die stenen spoelt, lost een beetje van dat zout in het water op. Het is zo weinig, dat je het niet proeft. Maar dat kleine beetje zout komt via de rivieren in zee terecht. Daar verdampt het water door de warmte van de zon en dat worden wolken en uiteindelijk regen. Het zout verdampt niet en blijft dus in de zee achter. Dat is al miljarden jaren zo gegaan. Steeds bleef er zout in de zee achter.
3. Antwoord B is goed.
Je kunt zover tellen als er woorden voor zijn (a) is niet het goede antwoord, want er zijn altijd nieuwe woorden te bedenken. Daarom kun je altijd blijven doortellen. Antwoord c is ook niet goed, want als je tot een biljoen maal triljoen maal quadriljoen hebt geteld, kun je er toch nog één bijtellen, dus een biljoen maal triljoen maal quadriljoen plus één. Maar dan kun je ook doortellen '...plus twee' of '...plus één triljoen'. Zo kun je altijd doorgaan. Daarom is het juiste antwoord B, tot oneindig.
4. Het goede antwoord is C.
Het heelal is de oneindige ruimte met al wat er in bestaat. Het heelal is dus niet alleen de sterren en de planeten maar ook de ruimte en de tijd. Ons heelal is volgens de sterrenkundigen ontstaan in een oerexplosie die de Oerknal of Big Bang genoemd wordt.
Vreemd genoeg is het heelal uit het niets ontstaan. Dat kan niet, zul je denken, maar de sterrenkundigen denken van wel. Tot zo'n vijftien jaar geleden dachten sterrenkundigen dat ons heelal het enige heelal is dat er bestaat. Maar langzaam aan is men steeds meer te weten gekomen over het allereerste begin. Er zijn nu sterrenkundigen die denken dat er in het niets wel vaker zo?n oerknal kan zijn geweest. Als er meer oerknallen zijn geweest, zijn daar heel andere heelallen uit ontstaan. Maar een ander heelal heeft ook een andere ruimte en een andere tijd. Omdat wij in onze eigen tijd en ruimte zitten, kunnen we niet in een andere tijd en ruimte kijken, zodat we ook die andere heelallen niet kunnen zien.
5. C is goed.
Je nagels zitten overal goed vast. Antwoord a is daarom niet goed. Ook is dat niet een plaats waar je nagel nog hard moet worden, dus is antwoord b ook fout.
Het witte plekje heet de lunula en zit niet in je nagel maar eronder. Aan het begin van de nagel, onder de nagelriem, zitten de nagelcellen. Als die cellen doodgaan, worden ze als het ware aan het begin van je nagel geplakt. De nagel schuift daardoor steeds een stukje naar buiten. In het plekje waar de nagelcellen zitten, is weinig bloed en daarom is het halvemaantje witachtig. Iets verderop zit je nagel vast aan het nagelbed. Daar zijn veel meer bloedvaatjes. En omdat je nagel enigzins doorzichtig is zie door je nagel dat er een kleurverschil is tussen de plaats waar minder bloedvaatjes zitten (de lunula die wittig is) en waar meer bloedvaatjes zitten (het nagelbed dat veel roder is). Bij sommige mensen ligt het halvemaantje helemaal onder de nagelriem. Maar bij de duim en de grote teen is het bij bijna iedereen te zien.
6. Antwoord C is het goede antwoord.
Hoe weten we dat honden kleurenblind zijn? Dat weten we niet door ze blauw of rood eten voor te zetten (a). Honden maakt het niets uit of het eten blauw of rood is. Blaffen tegen foto's (b) doen honden ook niet. Antwoord a en b zijn dus fout. Dus moet het antwoord c, met het rode en groene poortje goed zijn.
Je kunt een hond leren dat achter een wit poortje geen eten staat en achter een rood poortje wel. Honden houden van eten en zullen daarom het rode poortje kiezen. Ze kunnen zo leren dat rood bij het eten hoort. Wanneer ze dat eenmaal door hebben, vervang je het witte poortje door een groen poortje. Er staat dan nog steeds eten achter het rode poortje, maar niet achter het groene poortje. Nu zal de hond in verwarring raken. Hij weet niet welk poortje hij moet kiezen, het rode of het groene. Hij kiest maar wat. Hij ziet dus geen verschil tussen rood en groen, zodat hij voor die kleuren kleurenblind is.
7. Antwoord B is juist.
In je ogen zitten geen bacteriën. Antwoord a is dus fout. En je ziet ook niet de binnenkant van je oog (c). Om iets te kunnen zien heb je immers licht nodig.
Het goede antwoord is antwoord b: Als je kijkt valt er licht in je oog. Achter in je oog bevinden zich cellen die het licht opvangen en er elektriciteit van maken. Via een 'kabeltje', je oogzenuw, gaat het stroompje naar de hersenen. De hersenen maken daar beelden van. Deze plaatjes zijn wat wij tijdens het kijken zien. Als je je ogen sluit, komt er geen licht in je ogen en maken de cellen achter in je oog geen elektriciteit. De oogzenuw stuurt dan ook geen elektriciteit naar de hersenen en er wordt ook geen plaatje gemaakt. Het blijft donker. Wanneer je je ogen stijf dichtknijpt, deukt het oog een beetje in en wordt er ook een beetje op de oogzenuw gedrukt. De oogzenuw maakt dan een beetje elektriciteit en stuurt die naar de hersenen. De hersenen weten niet zo goed wat ze met die stroom moeten doen. Ze maken er geen mooi plaatje van, maar allerlei spikkels, spetters, lichtpuntjes en kringels. Zoiets gebeurt er ook als je een bal op je oog krijgt.
8. Het goede antwoord is C.
Er zijn wel woorden waarvoor antwoord a juist is, bijvoorbeeld keukendeur of spijkerbed. Maar tafel is niet zo'n 'samengesteld' woord. Antwoord b is voor sommige woorden ook juist, maar niet voor tafel. Zo komt het woord sandwich bijvoorbeeld van iemand die mijnheer Sandwich heette.
Antwoord c dus. Veel Nederlandse woorden zijn ooit in een andere, oudere taal ontstaan. Zo heette een tafel in het oude Latijn een tabula, later werd dat in bijvoorbeeld het Frans en het Engels table. Dat lijkt al op tafel. Maar waarom het in het Nederlands precies tafel is geworden, weet eigenlijk niemand. Je kunt alleen zeggen dat dat nou eenmaal zo is ontstaan.
9. Antwoord C is het goede antwoord.
Bij deze vraag gaat het om het principe.
Als je in de tunnel springt, val je. En waarom val je? Omdat de aarde door de zwaartekracht of aantrekkingskracht alles naar zich toetrekt. Daarom kun je nooit van de aarde af vallen. Als je in de tunnel springt, blijft de aarde aan je trekken, totdat je het middelpunt hebt bereikt. Daar trekt de aarde in alle richtingen even hard aan je. Maar omdat je een grote snelheid hebt, schiet je door het midden heen en komt er een steeds groter stuk aarde 'achter' je. Dat deel zal nu aan je gaan trekken. Je wordt langzaamaan afgeremd en uiteindelijk zul je precies aan het andere eind van de tunnel even naar buiten kunnen kijken. De aarde blijft echter trekken en je valt daarom weer in de tunnel terug. Zo blijf je heen en weer vallen tussen de uiteinden van de tunnel. Een onderzoeker heeft berekend dat het 84 minuten duurt voordat je heen en weer bent.
10. A is goed.
Alles om je heen is gemaakt van stof dat ooit deel uitmaakte van de sterren. Daarom lijkt antwoord b goed, maar omdat het niet de reden is waarom sommige stoffen licht geven is het toch fout. Antwoord c is ook fout. Vuursteen geeft alleen vonken als je twee vuurstenen hard tegen elkaar slaat.
Antwoord a is wel goed. Als je een pannetje water op het vuur zet, wordt het water warm. Het water neemt energie op. Je voelt die energie als je bijvoorbeeld hete thee drinkt. Licht is ook een vorm van energie. Er zijn stoffen die lichtenergie kunnen vasthouden en een tijdje later weer als licht afgeven. Het afgegeven licht hoeft niet eens van dezelfde kleur te zijn. In de nagellak en viltstiften die licht lijken te geven, zitten die speciale stoffen die lichtenergie opnemen en die snel weer afgeven. Daardoor lijken ze al te gloeien in gewoon daglicht. Andere stoffen doen er wat langer over om die lichtenergie kwijt te raken. Deze stoffen zitten in de lichtgevende sterren die in het donker blijven nagloeien. Ze nemen eerst lichtenergie op en geven het langzaam weer af.
