Voortgang
Beknopte samenvatting van de gehonoreerde projecten in de derde subsidieronde van het programma Omstreden Democratie
Kortlopend Toegepast Onderzoek
Dr. L. Schaap
Improving inter-municipal democracy
Gemeenten werken steeds meer samen met andere gemeenten. Soms gaat het daarbij om strategische vraagstukken. Meestal gaat het erom de dienstverlening aan burgers, dan wel het bestuurlijk vermogen van de gemeente te vergroten. Maar de lokale representatieve democratie (in casu de gemeenteraden) heeft weinig greep op hetgeen in samenwerkingsverbanden gebeurt. De lokale democratie wordt daardoor uitgehold. De vertegenwoordigende democratie biedt te weinig mogelijkheden voor democratische controle.
Dr. B.A.M. van Stokkom
Citizens as 'trustees': deliberative democracy in local security policies
De laatste twee decennia hebben gemeentebesturen veel geëxperimenteerd met interactieve beleidsvorming, advisering door burgers en andere vormen van burgerparticipatie. Bij deze 'verplaatsing van de politiek' spelen de onvrede van veel burgers en de geringe betrokkenheid van burgers bij het lokale beleid een rol. Met name de geringe opkomst bij lokale verkiezingen heeft politici en bestuurders attent gemaakt op een gebrek aan legitimiteit voor het overheidsbeleid. Grotere participatie van burgers zou het afgenomen vertrouwen in de politiek tot staan kunnen brengen. Binnen tal van burgerforums beraadslagen burgers gezamenlijk over specifieke vraagstukken, vaak geïnformeerd door experts. Leken dragen aldus bij aan beleidsvorming over vaak complexe lokale problemen.
Die actieve rol voor burgers sluit in sterke mate aan op de theorie van deliberatieve democratie ('democratie als gesprek'): door middel van collectieve beraadslaging kunnen burgers adequate oplossingsrichtingen formuleren. Binnen die theorie zouden participanten als 'trustee', als beheerder van de publieke zaak, opereren. Zij zouden onafhankelijk en 'zonder last of ruggespraak' besluiten nemen. In dit onderzoek worden enkele vormen van burgerbestuur waarin participanten de bevoegdheid hebben besluiten te nemen over de aanpak van onveiligheid in de wijk, nader onderzocht.
Nagegaan wordt of die vormen van burgerbestuur aan de veronderstellingen van het trustee model beantwoorden en aanknopingspunten bieden om het 'democratische tekort' te boven te komen. Tevens wordt nagegaan wat vanuit het oogpunt van effectief beleid de kansen en problemen zijn van dergelijke vormen van burgerbestuur en in welke opzichten de legitimiteit van het lokale bestuur en de lokale democratie kan worden vergroot.
Daarom wordt in dit onderzoek de vraag aan de orde gesteld, of de democratische legitimatie van gemeenten in geval van intergemeentelijke samenwerking vergroot kan worden, en of andere vormen van democratie daarbij behulpzaam kunnen zijn. Daartoe wordt in de eerste plaats een literatuurstudie gedaan. Vervolgens vindt een vergelijking plaats van samenwerkingsverbanden en best practices in Nederland, Duitsland, België en Engeland. De aandacht gaat uit naar de manier waarop in die best practices de democratische legitimatie vorm heeft gekregen. Op cruciale momenten wordt in het onderzoek rekening gehouden met wensen vanuit de bestuurspraktijk, om zo de beleidsrelevantie zo groot mogelijk te maken. Ook is veel aandacht besteed aan verspreiding van kennis na afloop van het onderzoek.
Verkennende Studies
Dr. H.H.A. van den Brink
Politicizing deliberative democracy
Filosofisch onderzoek naar deliberatieve democratie is vaak erg abstract en algemeen van aard. Vele meer empirisch werkende wetenschappers vragen zich af hoe informatief filosofische theorieën zijn. Deliberatieve democratie staat voor een grotere inspraak van burgers in politieke processen middels zorgvuldig vormgegeven fora waarin burgers hun mening kunnen vormen en uiten in het licht van goede informatie over een bepaalde politieke kwestie. Het is daarbij belangrijk dat zorgvuldig wordt gekeken naar wie er mee spreekt, of alle deelnemers als vrijen en gelijken worden erkend, of allen gelijke macht hebben over de situatie, etc.
In filosofische theorieën over dit ideaal van democratie worden al deze punten benadrukt, maar wordt heel weinig aandacht besteed aan de precieze inrichting van deliberatieve fora. In het voorgenomen onderzoek worden empirische onderzoeksresultaten over de mogelijkheid en de moeilijkheden van deliberatieve democratie gebruikt om de filosofie te confronteren met haar al te algemene ideaal van deliberatie.
Daarbij wordt betoogd dat de politieke filosofie 1) meer oog zou moeten hebben voor het gegeven dat 'de' democratie niet in algemene zin deliberatief kan zijn; democratie kent veel meer aspecten. 2) Er wordt betoogd dat het verdedigen van een deliberatieve visie op democratie zelf een politieke daad is, en niet slechts en afstandelijk articuleren van het 'wezen' van de democratie. 3) Hieruit worden consequenties getrokken voor de vraag wat het betekent normatieve politieke filosofie te bedrijven. Het voorgenomen onderzoek hoopt die vraag onder gebruikmaking van empirische onderzoeksgegevens op een vernieuwende manier te kunnen beantwoorden.
Dr. W.P. van Meurs
Boerenpartijen en democratisering in Oost-Europa rond 1900
Eind 19e eeuw ontstonden in West-Europa uit losse parlementaire clubs van gelijkgezinden en intellectuele sociëteiten de eerste moderne partijen. Direct na de Eerste Wereldoorlog raakte de organisatie van politieke partijen als belangenvertegenwoordigers van brede maatschappelijke groepen in een stroomversnelling door de invoering van het algemeen mannenkiesrecht. Anders dan voordien bij het beperkte censuskiesrecht, moesten politici actief campagne voeren om de burgers van hun politieke programma te overtuigen.
In de Oost-Europese landen die na de Eerste Wereldoorlog onafhankelijk werden door het uiteenvallen van het Habsburgse, Russische en Ottomaanse Rijk vond tegelijkertijd een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Ook hier pleitten liberalen en socialisten al enkele decennia voor algemeen kiesrecht. Met de eerste naoorlogse grondwetten werd ook hier het algemeen kiesrecht ingevoerd.
Anders dan in West-Europa speelden in landen als Estland, Polen en Roemenië één of twee boerenpartijen een centrale rol in zowel de partijvorming aan het eind van de 19e eeuw, als ook bij de invoering van het algemeen kiesrecht en de verdere consolidering van moderne volkspartijen. De liberalen in Oost-Europa vreesden terecht dat ze aan politieke macht zouden inboeten door het kleine aandeel van de middenklasse onder de kiezers en dat ze zo het slachtoffer zouden worden van hun eigen principiële pleidooi voor algemeen kiesrecht. Ook de socialisten beseften dat hun achterban, de industriearbeiders, door de moderniseringsachterstand nog niet talrijk genoeg was om een politieke hoofdrol te spelen. De overgrote meerderheid van de bevolking leefde op het platteland, wat de opkomst en invloed van boerenpartijen in deze periode verklaart.
Deze verkennende studie richt zich echter op een vijftal Oost-Europese landen en onderzoekt de debatten en keuzen van grotere boerenpartijen ten aanzien van parlementarisme, algemeen kiesrecht en partijopbouw. Sommige partijen, facties of leiders verzetten zich uit politiek conservatisme tegen algemeen kiesrecht, terwijl andere de voorkeur gaven aan een revolutionaire strategie. Sommige noemen zich wel boerenpartij, maar stonden ook in de jaren ’20 huiverig tegenover het idee van een brede volkspartij en massamobilisatie. Andere poogden ondanks tegenwerking om met politieke en sociale initiatieven ook op locaal niveau present te zijn voor de plattelandsbevolking.
Deze keuzen zijn per land en zelfs per partij te verschillend en omstreden om ze (zoals vaak gebeurt) simpelweg uit de sociaal-economische verhoudingen van die tijd en in het bijzonder de vorm van landbezit te verklaren. Het identificeren van verklarende factoren die verder reiken dan unieke historische omstandigheden of de individuele ideeën van een partijleider is het doel van deze verkennende studie.
Mr. dr. R Nehmelman
Immuniteit van Nederlandse parlementariërs vanuit een Europese context bezien
Voor het gehonoreerde onderzoeksvoorstel van mr. dr. R Nehmelman, Immuniteit van Nederlandse parlementariërs vanuit een Europese context bezien, zie het interview in de nieuwsbrief van oktober.
