Redactie
- Marc Linssen
- Mariette Huisjes
Fotografie
- Sijmen Hendriks
- Boom Uitgevers
Handige links
Zelf nieuws inbrengen
Wilt u zelf de aandacht vestigen op iets dat voor deze nieuwsbrief relevant is? Stuur uw bericht naar: m.linssen@nwo.nl
Contact
Voor vragen of het doorgeven van wijzigingen, mail: omstredendemocratie@nwo.nl
Nieuwsbrief
Nieuwsbrief Omstreden Democratie - nr. 6, oktober 2009
Dit is het zesde nummer van de Nieuwsbrief Omstreden Democratie. U ontvangt deze als belanghebbende of belangstellende. De nieuwsbrieven worden in archief bewaard op de website van het programma.
- Samenvattingen gehonoreerde voorstellen
- Klassieke media nog steeds nodig
Verslag van afgerond onderzoek door Arthur Edwards - 'Laat het maar gezegd zijn'
Interview met onderzoeker Remco Nehmelman
Subsidieronde Omstreden Democratie 2009
In de vorige Nieuwsbrief Omstreden Democratie maakten we kort melding van de gehonoreerde projecten in de derde subsidieronde. In deze nieuwsbrief vindt u een beknopte samenvatting van elk gehonoreerd project.
Kortlopend Toegepast Onderzoek
Dr. L. Schaap
Improving inter-municipal democracy
Gemeenten werken steeds meer samen met andere gemeenten. Soms gaat het daarbij om strategische vraagstukken. Meestal gaat het erom de dienstverlening aan burgers, dan wel het bestuurlijk vermogen van de gemeente te vergroten. Maar de lokale representatieve democratie (in casu de gemeenteraden) heeft weinig greep op hetgeen in samenwerkingsverbanden gebeurt. De lokale democratie wordt daardoor uitgehold. De vertegenwoordigende democratie biedt te weinig mogelijkheden voor democratische controle.
Dr. B.A.M. van Stokkom
Citizens as “trustees”: deliberative democracy in local security policies
De laatste twee decennia hebben gemeentebesturen veel geëxperimenteerd met interactieve beleidsvorming, advisering door burgers en andere vormen van burgerparticipatie. Bij deze ‘verplaatsing van de politiek’ spelen de onvrede van veel burgers en de geringe betrokkenheid van burgers bij het lokale beleid een rol. Met name de geringe opkomst bij lokale verkiezingen heeft politici en bestuurders attent gemaakt op een gebrek aan legitimiteit voor het overheidsbeleid. Grotere participatie van burgers zou het afgenomen vertrouwen in de politiek tot staan kunnen brengen. Binnen tal van burgerforums beraadslagen burgers gezamenlijk over specifieke vraagstukken, vaak geïnformeerd door experts. Leken dragen aldus bij aan beleidsvorming over vaak complexe lokale problemen.
Die actieve rol voor burgers sluit in sterke mate aan op de theorie van deliberatieve democratie (‘democratie als gesprek’): door middel van collectieve beraadslaging kunnen burgers adequate oplossingsrichtingen formuleren. Binnen die theorie zouden participanten als ‘trustee’, als beheerder van de publieke zaak, opereren. Zij zouden onafhankelijk en ‘zonder last of ruggespraak’ besluiten nemen. In dit onderzoek worden enkele vormen van burgerbestuur waarin participanten de bevoegdheid hebben besluiten te nemen over de aanpak van onveiligheid in de wijk, nader onderzocht.
Nagegaan wordt of die vormen van burgerbestuur aan de veronderstellingen van het trustee model beantwoorden en aanknopingspunten bieden om het ‘democratische tekort’ te boven te komen. Tevens wordt nagegaan wat vanuit het oogpunt van effectief beleid de kansen en problemen zijn van dergelijke vormen van burgerbestuur en in welke opzichten de legitimiteit van het lokale bestuur en de lokale democratie kan worden vergroot.
Daarom wordt in dit onderzoek de vraag aan de orde gesteld, of de democratische legitimatie van gemeenten in geval van intergemeentelijke samenwerking vergroot kan worden, en of andere vormen van democratie daarbij behulpzaam kunnen zijn. Daartoe wordt in de eerste plaats een literatuurstudie gedaan. Vervolgens vindt een vergelijking plaats van samenwerkingsverbanden en best practices in Nederland, Duitsland, België en Engeland. De aandacht gaat uit naar de manier waarop in die best practices de democratische legitimatie vorm heeft gekregen. Op cruciale momenten wordt in het onderzoek rekening gehouden met wensen vanuit de bestuurspraktijk, om zo de beleidsrelevantie zo groot mogelijk te maken. Ook is veel aandacht besteed aan verspreiding van kennis na afloop van het onderzoek.
Verkennende Studies
Dr. H.H.A. van den Brink
Politicizing deliberative democracy
Filosofisch onderzoek naar deliberatieve democratie is vaak erg abstract en algemeen van aard. Vele meer empirisch werkende wetenschappers vragen zich af hoe informatief filosofische theorieën zijn. Deliberatieve democratie staat voor een grotere inspraak van burgers in politieke processen middels zorgvuldig vormgegeven fora waarin burgers hun mening kunnen vormen en uiten in het licht van goede informatie over een bepaalde politieke kwestie. Het is daarbij belangrijk dat zorgvuldig wordt gekeken naar wie er mee spreekt, of alle deelnemers als vrijen en gelijken worden erkend, of allen gelijke macht hebben over de situatie, etc.
In filosofische theorieën over dit ideaal van democratie worden al deze punten benadrukt, maar wordt heel weinig aandacht besteed aan de precieze inrichting van deliberatieve fora. In het voorgenomen onderzoek worden empirische onderzoeksresultaten over de mogelijkheid en de moeilijkheden van deliberatieve democratie gebruikt om de filosofie te confronteren met haar al te algemene ideaal van deliberatie.
Daarbij wordt betoogd dat de politieke filosofie 1) meer oog zou moeten hebben voor het gegeven dat ‘de’ democratie niet in algemene zin deliberatief kan zijn; democratie kent veel meer aspecten. 2) Er wordt betoogd dat het verdedigen van een deliberatieve visie op democratie zelf een politieke daad is, en niet slechts en afstandelijk articuleren van het ‘wezen’ van de democratie. 3) Hieruit worden consequenties getrokken voor de vraag wat het betekent normatieve politieke filosofie te bedrijven. Het voorgenomen onderzoek hoopt die vraag onder gebruikmaking van empirische onderzoeksgegevens op een vernieuwende manier te kunnen beantwoorden.
Dr. W.P. van Meurs
Boerenpartijen en democratisering in Oost-Europa rond 1900
Eind 19e eeuw ontstonden in West-Europa uit losse parlementaire clubs van gelijkgezinden en intellectuele sociëteiten de eerste moderne partijen. Direct na de Eerste Wereldoorlog raakte de organisatie van politieke partijen als belangenvertegenwoordigers van brede maatschappelijke groepen in een stroomversnelling door de invoering van het algemeen mannenkiesrecht. Anders dan voordien bij het beperkte censuskiesrecht, moesten politici actief campagne voeren om de burgers van hun politieke programma te overtuigen.
In de Oost-Europese landen die na de Eerste Wereldoorlog onafhankelijk werden door het uiteenvallen van het Habsburgse, Russische en Ottomaanse Rijk vond tegelijkertijd een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Ook hier pleitten liberalen en socialisten al enkele decennia voor algemeen kiesrecht. Met de eerste naoorlogse grondwetten werd ook hier het algemeen kiesrecht ingevoerd.
Anders dan in West-Europa speelden in landen als Estland, Polen en Roemenië één of twee boerenpartijen een centrale rol in zowel de partijvorming aan het eind van de 19e eeuw, als ook bij de invoering van het algemeen kiesrecht en de verdere consolidering van moderne volkspartijen. De liberalen in Oost-Europa vreesden terecht dat ze aan politieke macht zouden inboeten door het kleine aandeel van de middenklasse onder de kiezers en dat ze zo het slachtoffer zouden worden van hun eigen principiële pleidooi voor algemeen kiesrecht. Ook de socialisten beseften dat hun achterban, de industriearbeiders, door de moderniseringsachterstand nog niet talrijk genoeg was om een politieke hoofdrol te spelen. De overgrote meerderheid van de bevolking leefde op het platteland, wat de opkomst en invloed van boerenpartijen in deze periode verklaart.
Deze verkennende studie richt zich echter op een vijftal Oost-Europese landen en onderzoekt de debatten en keuzen van grotere boerenpartijen ten aanzien van parlementarisme, algemeen kiesrecht en partijopbouw. Sommige partijen, facties of leiders verzetten zich uit politiek conservatisme tegen algemeen kiesrecht, terwijl andere de voorkeur gaven aan een revolutionaire strategie. Sommige noemen zich wel boerenpartij, maar stonden ook in de jaren ’20 huiverig tegenover het idee van een brede volkspartij en massamobilisatie. Andere poogden ondanks tegenwerking om met politieke en sociale initiatieven ook op locaal niveau present te zijn voor de plattelandsbevolking.
Deze keuzen zijn per land en zelfs per partij te verschillend en omstreden om ze (zoals vaak gebeurt) simpelweg uit de sociaal-economische verhoudingen van die tijd en in het bijzonder de vorm van landbezit te verklaren. Het identificeren van verklarende factoren die verder reiken dan unieke historische omstandigheden of de individuele ideeën van een partijleider is het doel van deze verkennende studie.
Mr. dr. R Nehmelman
Immuniteit van Nederlandse parlementariërs vanuit een Europese context bezien
Voor het gehonoreerde onderzoeksvoorstel van mr. dr. R Nehmelman, Immuniteit van Nederlandse parlementariërs vanuit een Europese context bezien, zie het interview.
Afgerond onderzoek: Klassieke media nog steeds nodig voor succesvolle micromobilisatie
Onlangs werd het kortlopende onderzoek aangevraagd door Arthur Edwards afgerond met de publicatie van een boek: De virtuele lont in het kruitvat. Welke rol spelen de oude en nieuwe media in de politieke mobilisatie van burgers en hun strijd om politieke aandacht?
Het internet is doorgedrongen tot in de haarvaten van onze samenleving. Individuele burgers of kleine groepen gebruiken het steeds vaker om medestanders te verzamelen en om hun strijdpunten nadrukkelijker voor het voetlicht te brengen ('micromobilisatie'). Hierdoor komen ze sneller in het brandpunt van de maatschappelijke en politieke aandacht te staan.
Web 2.0
Vandaag de dag speelt een nieuwe generatie van internet- en webtoepassingen, het zogenaamde Web 2.0 een belangrijke rol. Relatief eenvoudig, snel en goedkoop krijgen micromobiliserende burgers toegang tot allerlei sociale netwerken. Hierdoor ontstaat een sneeuwbaleffect en expandeert de aandacht exponentieel snel. Bovendien zorgt het digitaal delen van allerlei ervaringen voor een gedeeld beeld over de aard van een probleem, gewenste oplossingen en nut en noodzaak van acties. Een digitale lont wordt in een smeulend kruitvat gegooid. In ons onderzoek hebben we nagegaan hoe nieuwe media in wisselwerking met oude media deze mobilisatieprocessen ondersteunen en hoe het politieke systeem hierop reageert.
Casussen
Vier recente casussen staan in het onderzoek centraal: het scholierenprotest tegen de 1040-urennorm, internettende militairen in Uruzgan, het protest van twee Friese moeders tegen de late sluiting van de horeca, en de discussie op Nederlandse weblogs over Al Gore’s documentaire An Inconvenient Truth. Ook wordt teruggekeken naar drie casussen waarin Web 2.0 geen rol speelde: de publiciteit over het rapport van de Club van Rome (1972), de briefkaartenactie Ik ben Woedend van twee Radio 3FM-presentatoren (1993) en de Let op de kleintjes-actie tegen de excessieve beloning van Ahold-topman Moberg (2003).
Klassieke media
Uit het onderzoek blijkt dat, ondanks de toegenomen invloed van web 2.0, de 'klassieke' media (kranten, televisie, radio) en allerlei traditionele intermediaire organisaties, zoals belangengroepen, nog steeds belangrijk zijn om een onderwerp op de politieke agenda te plaatsen. Succesvolle micromobilisatie staat zelden alleen.
Contramobilisatie
In sommige casussen zien we echter dat micromobilisatie via web 2.0 een contramobiliserend karakter heeft ten opzichte van meso- en macromobilisatie via de traditionele media. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de kritische discussies op weblogs over An Inconvenient Truth en in de Uruzgan-casus, waar militairen via internet een eigen beeld geven van de aard van hun aanwezigheid in Afghanistan. De traditionele organisaties die van oudsher een belangrijke rol spelen in de maatschappelijke en politieke articulatie van meningen worden in dit soort situaties links en rechts ingehaald. Nieuwe politieke organisatievormen zien het licht. De snelheid en omvang van deze mobilisatieprocessen zorgen bovendien voor strategische verrassingen bij overheden en andere beleidsmakers.
| | Victor Bekkers, Henri Beunders, Arthur Edwards en Rebecca Moody (2009), De virtuele lont in het kruitvat |
Onderzoeker mr.dr. Remco Nehmelman:
‘Laat het maar gezegd zijn’
Hoe ver mag een volksvertegenwoordiger gaan in beledigende uitingen? Ver, als het aan Remco Nehmelman ligt. De jurist gelooft niet in ivoren torens en wil de politiek helpen een urgent maatschappelijk probleem op te lossen. Hij gaat de jurisprudentie in verschillende Europese landen onderzoeken rond de strafrechtelijk onschendbaarheid van parlementariërs en hoopt nog voor de Gemeenteraadsverkiezingen met een weloverwogen advies te komen.
Rechterlijke uitspraken
'Aanleiding voor mijn onderzoek is een uitspraak van het Hof Amsterdam over beledigende uitspraken van Geert Wilders. Achterlijke cultuur, de koran vergelijken met Mein Kampf… in die sfeer. Advocaat Gerard Spong had het Openbaar Ministerie gevraagd Wilders hierom te vervolgen. Het OM deed dit aanvankelijk niet. Het Hof kan echter in bijzondere gevallen het OM tot vervolging verplichten en deed dat nu. In januari moet Wilders voorkomen. In een andere, enigszins vergelijkbare zaak besloot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg om de Vlaamse populistische politicus Daniel Féret te beperken in zijn recht op vrije meningsuiting.'
Gekunsteld
'Dit soort rechterlijk uitspraken zie ik als een signaal: zo gaan we dat in de toekomst aanpakken. Ik ben het met die strenge lijn niet eens. Parlementariërs genieten in de Kamer juridische immuniteit: om het debat in alle openheid te laten plaatsvinden mogen ze daar alles zeggen wat ze willen en zijn niet vervolgbaar. Het is dan gekunsteld om hen buiten de Kamer voor dezelfde uitingen wel aan het strafrecht te onderwerpen. Als ze op de televisie hun eigen uitspraken in de Kamer citeren zijn ze niet vervolgbaar, als ze nieuwe uitspraken doen wel. Ik vind dat politici ook buiten de Kamer veel vrijheid moeten genieten.'
Democratie heeft een prijs
'Juist in een tijd van maatschappelijke polarisatie moeten politici meningen die blijkbaar leven onder hun kiezers openlijk kunnen verkondigen. Ik geloof niet zo in verbieden, wel in de zuiverende werking van een open discussie. Dat er dan excessen zijn en soms onfrisse debatten ontstaan, is de prijs die we betalen voor democratie. De verkiezingen zullen uitwijzen wie er gelijk heeft. Er zijn vast genoeg wijze mensen in Nederland die inzien dat sommige uitspraken belachelijk zijn.'
Gevaarlijke onderstromen
'Ik weet dat ook democratische processen kunnen ontsporen. En natuurlijk is er een grens; niemand mag opruien tot geweld. Maar die grens is volgens mij nog niet bereikt. Geert Wilders vertegenwoordigt wel bijna 600.000 mensen die op hem gestemd hebben. Als zij zich monddood gemaakt voelen, dan ben ik pas echt bang dat er gevaarlijke onderstromen ontstaan en dat er dingen ontsporen.'
Afgewogen advies
'Excessieve uitingen van politici en de gevolgen daarvan zijn een urgent maatschappelijk probleem. Ons systeem staat op barsten. Vandaag hebben we Wilders, morgen is er iemand anders. Bestuurders en ambtenaren zitten met de handen in het haar. Zij zijn blij als een onafhankelijk wetenschapper met een advies komt. Voor mijn kortlopende project Immuniteit van Nederlandse parlementariërs vanuit een Europese context wil ik onderzoeken hoe andere Europese landen hiermee omgaan. Zo hoop ik tot een afgewogen advies te kunnen komen aan bestuurders, politiek en rechterlijke macht.'
Evenwicht der machten
'Misschien biedt Duitsland inspiratie. Daar is het niet de rechter, maar het Parlement zelf dat medeparlementariërs die te ver gaan het zwijgen oplegt. Dat vind ik een goed uitgangspunt, mits er een tweederde meerderheid is voor zo’n besluit en de getroffen politicus bezwaar kan aantekenen via een versnelde juridische procedure. Dit om te voorkomen dat er politieke spelletjes worden gespeeld. In Nederland beslissen we alles in meerderheid; waarom dan ook dit niet? Nu beslist alleen de rechter dat een parlementariër zijn mond moet houden. Dat is net zo min terecht als wanneer parlementariërs beslissen dat een rechter ontslag verdient. Er moet een evenwicht zijn tussen de machten. Naar dat evenwicht wil ik zoeken met dit project.'
