Voorpublicatie Nieuw licht - Inzicht in een duurzame energiehuishouding
2 december 2008
Onafhankelijk auteur Diederik van der Hoeven legt momenteel de laatste hand aan het boek dat hij op basis van de onderzoeksresultaten van het NWO/SenterNovem Stimuleringsprogramma Energieonderzoek schrijft. Het boek wordt op 30 januari 2009 in de Beurs van Berlage gepresenteerd en aangeboden aan Mark Frequin, directeur-generaal Energie en Telecom van het Ministerie van Economische Zaken. Ymkje de Boer heeft in het kader van het boek en aantal oud-onderzoekers geïnterviewd. Op deze pagina’s vindt u bij wijze van voorpublicatie een tweetal van deze interviews.
Inpassing windenergie hoeft geen probleem (meer) te zijn
Portret Han Slootweg, oud-AIO
Han Slootweg is sinds begin 2008 Manager Innovatie bij Essent Netwerk in Den Bosch. Hij ontving in 2007 de Hidde Nijland-prijs voor zijn onderzoek naar de netinpassing van windturbines. De Hidde Nijland-stichting reikt deze vierjaarlijkse prijs uit aan mensen jonger dan veertig jaar die een waardevolle bijdrage aan het vakgebied elektrotechniek hebben geleverd.
'Vlak voor mijn promotie in het najaar van 2003 kwam ik in dienst van Essent Netwerk, waar ik me bezig hield met het beheer van elektriciteits- en gasnetten. Aanvankelijk speelde mijn promotieonderzoek daarin slechts een beperkte rol en viel ik vooral terug op mijn studie Elektrotechniek aan de TU Delft. Ik was veel bezig met klassiek ingenieurswerk rond de uitbreiding, vervanging en onderhoud van het regionale elektriciteitsnetwerk.
De elektriciteitswereld is enorm in beweging, onder andere vanwege de overdracht van het beheer over de regionale hoogspanningsnetten aan Tennet. De rol van energiebedrijven verandert. Sinds begin 2008 mag ik een nieuwe afdeling leiden – Innovatie – die over dit soort zaken nadenkt. Ik ga daarmee eigenlijk weer een beetje terug naar het onderzoek. De conclusie van mijn promotieonderzoek was dat windmolens met een variabel toerental beter geschikt zijn voor aansluiting op het net dan die met een vast toerental. Die laatste veroorzaken instabiliteit, bijvoorbeeld bij kortsluiting of bij het uitvallen van een nabije generator, omdat ze dan een grote hoeveelheid blindvermogen aan het net onttrekken. Met deze en vergelijkbare thema’s zal ik mij in de komende jaren weer volop bezighouden, samen met mijn medewerkers. Ik werk daarbij ook samen met kennisinstituten en universiteiten. Voor het geven van cursussen aan mijn collega’s hier bij Essent Netwerk, werk ik bijvoorbeeld weer samen met Martin Junginger die destijds ook promoveerde binnen het programma AIRE. Ik acteer graag op dat grensvlak van kennisontwikkeling en praktijk, omdat beide samen op moeten gaan om succesvol te innoveren.
Het onderwerp van mijn proefschrift was eigenlijk voor de Nederlandse situatie destijds nog niet zo relevant. Het probleem speelt immers pas als je aanzienlijk veel windmolens hebt staan, zoals bijvoorbeeld in Duitsland, Denemarken en Spanje. Met de tijd zou dit probleem echter, ook gezien het regeringsbeleid, in Nederland ook ontstaan. Kort door de bocht zou je kunnen zeggen dat onderzoek als het mijne problemen met de inpassing van windenergie, zoals die met name in Denemarken ontstonden, in de Nederlandse situatie heeft voorkomen. Het mooie is dat ik nu in de documentatie over windturbines mijn eigen onderzoeksresultaten terug zie. Het ondankbare is natuurlijk dat het oplossen van een probleem meer waardering oogst dan het voorkomen ervan. Mijn onderzoeksresultaten hebben daarom in landen als Spanje, Duitsland en Denemarken meer aandacht getrokken dan in Nederland zelf.
Ik vind het enorm waardevol dat AIRE een interdisciplinair programma was. Op zijn minst hebben we als verschillende AIO's begrip gekregen voor elkaars onderzoeksgebied en benaderingswijze. Het is voor een promovendus heel vormend om niet alleen maar in je eigen kamertje te blijven zitten, maar te leren communiceren en samenwerken met anderen. Dit bevordert ook de toegankelijkheid van je eigen werk en uiteindelijk de disseminatie van de kennis die je hebt ontwikkeld. En daar heeft uiteindelijk de hele BV Nederland iets aan!
Wat betreft de energietransitie in Nederland zou ik willen dat de overheid wat consistenter was in haar prikkels en dat de subsidiëring van duurzame energie anders was geregeld. Geen MEP- of SDE-systeem, maar net als in Duitsland de subsidie verdisconteren in het elektriciteitstarief.'
Alleen technologische innovatie én gedragsverandering tegelijk leiden tot verduurzaming
Dubbelportret Mark Prins en Wouter van den Hoogen

Mark Prins werkt als onderzoeker bij de afdeling Gasification & Hydrogen Manufacturing bij Shell in Amsterdam. Wouter van den Hoogen is als post-doc verbonden aan de TUE en doet onderzoek naar de meetbaarheid van ervaring tijdens 'gaming' (computerspellen).
Chemisch technoloog Mark Prins promoveerde in 2005 aan de Technische Universiteit Eindhoven TUE) op de invloed van de voedingssamenstelling (van steenkool tot biomassa) op de efficiëntie van vergassing. Ook onderzocht hij of het mogelijk is door thermische voorbehandeling van biomassa (torrefactie – het als het ware roosteren van hout) de efficiëntie te verhogen. Dit bleek het geval te zijn. Wouter van den Hoogen, die is afgestudeerd bij de vakgroep Mens-Techniek Interactie aan de faculteit Technologie Management van de TUE, promoveerde in 2007 op een psychologisch onderzoek naar de oordeelsvorming over nieuwe energietechnologieën. Een van de bevindingen was dat de oordelen van mensen over diverse energiebronnen aan elkaar gerelateerd zijn. Daarom is het belangrijk om een integrale communicatiestrategie te hanteren bij de introductie van verschillende duurzame energieopties.
Hoe energiebedrijven momenteel technisch omgaan met bijvoorbeeld het vergassen van hout, vormt een bevestiging van de onderzoeksresultaten van Mark Prins, vertelt hij. ‘Maar de maatschappelijke acceptatie van hout als bron van bio-energie is nog steeds een probleem.' Van den Hoogen voegt daaraan toe dat er te weinig wordt uitgelegd door beleidsmakers en energiebedrijven. Dan gaan consumenten hun eigen beelden vormen en die kunnen negatief uitpakken. 'Ik merk wat dat betreft nog niet veel aanwijsbaar effect van mijn bevindingen. Energiebedrijven communiceren niet helder en open over biomassa. Ik kan me uit concurrentieoverwegingen wel voorstellen dat bedrijven niet openlijk over biomassa communiceren, maar het is zeer de vraag of dit de implementatie van duurzame energie op termijn ten goede komt.'
Beide onderzoekers maken zich zorgen over de verduurzaming van de energiehuishouding. Ze zien ook niet hoe het anders zou kunnen dan door een combinatie van technologische innovatie én gedragsverandering. Prins: 'Ik zou willen weten hoe snel we het gebruik van duurzame energie kunnen laten toenemen. Het zal altijd een combinatie moeten zijn van energiebesparing en nieuwe technologie. Ik ben bang dat het allemaal te traag gaat en we dus nog een tijdje zullen zitten met kolencentrales en kernenergie.' Van den Hoogen: 'De vraag is dus ook wat er gedragsmatig haalbaar is in relatief korte tijd. Mensen veranderen pas iets aan hun gedrag als de 'crisis' hen echt raakt. Ik denk dat we ook moeten kijken naar de rol van producenten en de overheid. Als duurzame brandstoffen goedkoper worden aangeboden, zullen ze toch wel sneller gebruikt worden door consumenten.’
Hoewel het schrijven van een proefschrift een monodisciplinaire aangelegenheid is, was er binnen het Eindhovense programma waarin de promovendi werkten, veel aandacht voor bèta-gamma-interactie. Prins: 'Ik heb een veel bredere kijk gekregen door kennis te nemen van de vraagstukken rond maatschappelijke acceptatie van biomassa, waarmee mijn collega’s zich bezighielden. Die problematiek speelt nu ook bij mijn werk bij Shell.' Van den Hoogen: 'Doordat ik mij kon verdiepen in de technische aspecten van biomassa, heb ik de vragenlijsten voor respondenten kunnen aanscherpen en is het onderzoek evenwichtiger uitgevoerd.' Beide onderzoekers ervaren dat multidisciplinaire samenwerking met collega’s in hun huidige werkkring veel gemakkelijker gaat dan tijdens het promotieonderzoek. Het resultaat wordt nu immers volgens andere maatstaven beoordeeld.
