Duurzame ontwikkeling en de kennismaatschappij
Door John Grin
Het debat over de
kennismaatschappij heeft twee opvallende kenmerken. In de eerste plaats heeft
het vrijwel uitsluitend betrekking op nieuwe velden van wetenschap en
technologie: informatie en communicatietechnologie, nanotechnologie en nieuwe
velden in de levenswetenschappen. In de tweede plaats weerspiegelt het een
sterk optimisme over de mogelijkheden die ontwikkelingen op deze terreinen
bieden voor maatschappelijke en menselijke vooruitgang.
Beide kenmerken zijn zo opvallend, omdat ze verre van vanzelfsprekend zijn. De toespitsing op geheel nieuwe terreinen lijkt voorbij te gaan aan het feit,
dat de kennismaatschappij niet van morgen, en zelfs niet van vandaag of
gisteren, is. Integendeel, we leven welbeschouwd al enkele eeuwen in een
kennissamenleving. Sinds de Verlichting hebben we ons handelen immers
georiënteerd op de idee, dat wetenschappelijke vooruitgang, en daarop
gebaseerde technologie, als vanzelf zou leiden tot sociale en economische
vooruitgang. Die idee heeft grote invloed gehad op de ontwikkeling van zulke
domeinen als de landbouw, de mobiliteit en het waterbeheer. Het noemen van deze
domeinen maakt direct duidelijk wat, in de tweede plaats, het heersende
optimisme zo opmerkelijk maakt. Immers, op zulke terreinen is weliswaar sprake
geweest van grote vooruitgang, maar schijnbaar onlosmakelijk daarmee verweven
is ook sprake van allerhande risico’s en neveneffecten.
Onder die
verwevenheid ligt natuurlijk de co-evolutie van sociaaleconomische
ontwikkeling, en de instituties waarin die zijn ingebed. Breed wordt inmiddels
onderkend dat dit betekent dat voor een ontwikkeling zonder die risico’s en
neveneffecten een verandering in gevestigde patronen van handelen niet
voldoende is. Veeleer nodig zijn onderling samenhangende veranderingen in
handelen én structuur: systeeminnovaties, tezamen wellicht uiteindelijk
bijdragend aan een transitie naar een duurzame samenleving. Dat inzicht vormt
een nadere kwalificatie van wat duurzame ontwikkeling op termijn werkelijk
betekent: een vorm van wat in recente sociale theorie wel wordt aangeduid als
reflexieve modernisering.
Veel minder onderkend - zowel in het maatschappelijk debat als in de
sociaalwetenschappelijke literatuur - is het feit dat daarmee ook de inhoud van
de (natuur)wetenschappelijke kennis ter discussie moet komen te staan. Praktijken van kennisontwikkeling zijn onderdeel geweest van de ‘gewraakte’
gevestigde patronen van sociaaleconomische ontwikkeling. En zowel die
praktijken als de inhoud van de resulterend kennis geven mede vorm aan de
structurele context waarbinnen die zich voltrekt.
Anders gezegd: kennisontwikkeling is, juist in moderne samenlevingen, een essentieel onderdeel
van genoemde co-evolutie geweest. Ze is daarmee, net zozeer als bijvoorbeeld
productiepatronen en overheidsbeleid, in sterke mate gericht geweest op de
moderne idee van vooruitgang door beheersing van de werkelijkheid op grond van
wetenschappelijke kennis.
Duurzame ontwikkeling vraagt daarom vaak om kennis
die naar aard en inhoud anders is dan de beheersingsgerichte kennis die tot nu
toe overheerste.
Een eenvoudig voorbeeld vinden we in de veehouderij. Bij vrijwel alle epidemieën van de laatste jaren bracht vroeg of laat wel iemand naar voren dat nu eens te meer duidelijk was hoe riskant een meer 'diervriendelijke' veehouderij was. Immers, als dieren minder op stal zouden zijn en meer zouden kunnen uitlopen, zouden ze ook meer blootgesteld raken aan ziektekiemen en dus ziek worden – slecht voor de productiviteit, en trouwens ook voor het dierenwelzijn. Tegen dit argument valt weinig in te brengen - althans bezien vanuit de huidige veterinaire wetenschap zoals die zich hand in hand met de intensivering van de landbouw heeft ontwikkeld. In dit paradigma, ook wel als ‘directive control’ aangeduid, kan diergezondheid alleen worden gewaarborgd via beheersing van de leefomstandigheden van dieren. Dat paradigma is bovendien ook neergeslagen in allerhande regels, bijvoorbeeld op het gebied van voedselveiligheid, die juist daardoor vaak duurzame alternatieven bemoeilijken.
Maar in de uithoeken van de diergeneeskunde leeft ook een ander paradigma, 'recursive control', waarbij diergezondheid juist mede is gebaseerd op natuurlijk gedrag van dieren en hun natuurlijke interactie met de omgeving. In deze benadering absolute beheersing niet alleen onnodig, maar potentieel zelfs schadelijk, bijvoorbeeld omdat het tot verminderde weerstand leidt. Een probleem is wel, dat de kennis over het 'recursive control'-paradigma nog onderontwikkeld is: ze paste immers niet bij het programma van de modernisering, waarbinnen veel meer aandacht was voor 'directive control'. Een tweede probleem is dat het vertrouwen in andere dan beheersingsgerichte kennis vaak beperkt is. Een derde probleem is, dat de vakkennis om dieren meer op hun individuele maat te houden op veel plaatsen verloren is gegaan.
Het is niet moeilijk, om dit voorbeeld uit te breiden met andere: ook bijvoorbeeld in het waterbeheer geldt dat verduurzaming neerkomt op het loslaten van beheersingsgericht denken en doen, én dat dit andersoortige kennis vereist. Het beter begrijpen van de verbanden tussen praktijken voor duurzame ontwikkeling, controversen daarover, institutionele context en de aard en inhoud van kennis (in 'oude' en 'nieuwe' domeinen van de kennismaatschappij) verdient meer aandacht:
- van sociaalwetenschappelijke onderzoekers, die er een veld vinden waar ze (al dan niet in bèta-gamma-samenwerking) onderzoek kunnen doen waarin – zo leert de ervaring - het stellen van fundamentele vragen en praktische relevantie hand in hand gaan;
- van professionals die actief zijn in praktijken van duurzame ontwikkeling;
- van spelers in het kennisbeleid, die dat beleid willen richten op duurzame ontwikkeling en willen voorkomen dat de kennismaatschappij rond nieuwe velden als nanotechnologie, ICT en genomics dezelfde blinde effecten ontwikkelt als eerder in de meer klassieke velden.
Werk aan de winkel – niet in de laatste plaats voor NWO-MaGW als intermediair tussen al deze partijen.
prof. dr. John Grin Prof. dr. John Grin is hoogleraar Beleidswetenschap, in het bijzonder systeeminnovaties aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is tevens wetenschappelijk directeur van de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek (ASSR), en mede-oprichter/directeur van het Kennisnetwerk Systeeminnovaties (KSI), waarin elf Nederlandse kennisinstellingen samenwerken. |
