Evolution & Behaviour

The co-evolution of social behaviour and social institutions: a combined theoretical and experimental approach

Prof. dr. A.J.H.C. Schram en Prof. dr. M.W. Sabelis

Results 2005

Hoewel ook theoretisch inzicht (uit de projecten van Spichtig en Van den Broek) vorm begint te krijgen, zijn de meeste inzichten tot nu toe verkregen uit gevoerde laboratorium experimenten.

1. Zo laten Egas en Riedl (2005) zien dat er een prijskaartje hangt aan het de laatste tijd veel onderzochte ‘altruistic punishment’ (zie Fehr en Fischbacher, Nature, October 2003). Meer in detail vinden Egas en Riedl dat de motivatie tot straffen van free-riders uit een amalgaam van emotionele respons en cognitieve afweging bestaat. De auteurs tonen aan dat het noch alleen de kosten voor de straffende noch alleen de uitwerking (impact) op de gestrafde zijn die de intensiteit en hoeveelheid van straffen bepaalt. De verklaring wordt altijd gevonden in de combinatie van beide componenten. Bovendien vinden Egas en Riedl dat er uiteindelijk één variabele is die de dynamiek van coöperatie en altruïstisch straffen kan verklaren: de omvang van de afwijking van de coöperatieve norm die wordt getolereerd en dus zonder straffen doorgaat. Deze drempelwaarde neemt sterk toe naarmate de effectiviteit van straffen (gemeten als de verhouding tussen de kosten en uitwerking van straffen) daalt. In het genoemde onderzoek werd het Internet als interactie-platform gebruikt. Dit had het voordeel dat “gewone” mensen aan het experiment mee konden doen. Hierdoor hebben de uitkomsten van het experiment een grotere externe validiteit dan gebruikelijk. Bovendien opent het de mogelijkheid om te onderzoeken in hoeverre sociaal-economische achtergronden met het gedrag correleren. Eerste voorlopige resultaten laten zien dat er inderdaad een samenhang bestaat tussen de achtergrond van een individu en zijn/haar gedrag. Zo lijken de eerste resultaten erop te wijzen dat mannen niet minder coöperatief zijn dan vrouwen maar dat ze wel meer opportunistisch zijn. Mannen coöpereren b.v. minder als er geen straf mogelijk is. Verder komt naar voren dat mensen met een katholiek geloof meer coöpereren. Hetzelfde geldt voor mensen met een hogere opleiding. Mensen met meer inkomen daarentegen lijken minder geneigd te zijn om coöperatief gedrag te vertonen. In de nabije toekomst zal de analyse van de dataset zijn afgesloten en worden gepubliceerd.

2. Cason, Riedl, Schram en Ule onderzoeken het effect van “indirect” straffen op coöperatief gedrag. Dit onderzoek bouwt voort op belangrijke theoretische papers van Nowak en Sigmund (onder andere in Nature, 1998) en de experimentele studie van Seinen en Schram (2006) over indirecte reciprociteit. Het onderzoek van Cason, Riedl, Schram en Ule is weliswaar net begonnen maar de eerste experimenten en computersimulaties wijzen al op belangrijke resultaten die kunnen worden verkregen. Bijvoorbeeld, het blijkt dat mensen inderdaad bereid zijn anderen te straffen met wie ze nog nooit enige interactie hebben gehad noch enige toekomstige interactie mee verwachten. Ze doen dit als reactie op het gedrag van de partner tegenover derden in het verleden. Interessant is ook dat mensen het gedrag in het verleden door anderen alleen dan achterhalen als het niet te duur is, wat erop wijst dat indirect straffen alleen dan succesvol kan zijn als informatie over anderen gemakkelijk en goedkoop is te verkrijgen. Dit zou weer een invloed kunnen hebben op de evolutie van (foute) signalen.

3. Riedl en Ule (2003) onderzoeken met behulp van experimentele netwerk experimenten de invloed van (sociale) uitsluiting op coöperatief gedrag en tegelijkertijd wat voor soorten netwerken endogeen ontstaan. In het kort, zijn de voornaamste bevindingen uit dit onderzoek dat uitsluiting van free-riders en de mogelijkheid om samenwerking te weigeren extreem positieve effecten op coöperatief gedrag hebben. Als deze mogelijkheden niet worden gegeven stort coöperatie binnen enkele ronden in elkaar. Dit gebeurt zelfs in groepen waar dezelfde mensen herhaaldelijk met elkaar interacteren. Daaruit blijkt duidelijk dat reputatie effecten alleen niet voldoende zijn om samenwerking op peil te houden. Merk op dat het onderzoek van Riedl en Ule dat van Egas en Riedl completeert omdat het andere samenwerkingsondersteunende instituties dan individueel straffen analyseert.