Determinants of investment behaviour. Methods and applications of meta-analysis
Uitkomsten project Mark Koetse (VU)
Proefschrift 'Determinants of
investment behaviour. Methods and applications of meta-analysis’
Context en onderzoeksaanpak
De schijnbare contradictie tussen de economische aantrekkelijkheid van
bestaande energiebesparende technologieën aan de ene kant, en de trage en
beperkte adoptie van deze technologieën aan de andere, wordt in het algemeen
aangeduid als de energie-efficiëntie paradox. In de wetenschappelijke
literatuur
zijn verschillende verklaringen voor deze paradox naar voren gebracht, zoals
tekort aan informatie en kennis, financiële restricties, en verborgen kosten
van
technologieadoptie. Deze dissertatie zich op twee belangrijke onderwerpen voor
het begrijpen van investeringsgedrag, te weten het effect van onzekerheid op
investeringen en het potentieel voor substitutie tussen kapitaalgoederen en
energie in productieprocessen. Een belangrijk kenmerk van de literatuur over
investeren onder onzekerheid is dat de theoretische inzichten niet eenduidig
zijn aangaande de richting van de relatie. Bovendien vertonen ook de empirische
studies over dit onderwerp een grote variatie aan uitkomsten en
karakteristieken. Dit laatste geldt tevens voor de empirische literatuur over
substitutie tussen kapitaal en energie, met als consequentie dat deze studies
verschillende antwoorden geven op de vraag of kapitaal en energie
substitueerbaar zijn.
Om de variatie aan uitkomsten van empirische studies
op een systematische en kwantitatieve manier te analyseren gebruiken wij
meta-analyse als methode van onderzoek. Meta-analyse complementeert de
inzichten
verkregen uit descriptieve literatuuroverzichten doordat het gebruik maakt van
een kwantitatief en statistisch welomschreven raamwerk. Dientengevolge is één
van de voordelen van meta-analyse dat het inzicht verschaft in de empirische
relevantie van de mogelijke verklaringen voor de variatie in uitkomsten van
empirische studies. Daarnaast geeft de methode een meer betrouwbare schatting
van de onderliggende relatie dan de schattingen afkomstig van individuele
empirische studies.
Meta-analyse heeft echter ook zijn specifieke
methodische
problemen. Het gebruik van deze methode voor het doen van economisch onderzoek
is mede daardoor niet onomstreden en nog steeds in ontwikkeling. Het valt
buiten
het bestek van deze dissertatie om het geheel aan methodische problemen te
onderzoeken. Wij hebben er voor gekozen om twee methodische problemen te
bestuderen die voorkomen in vrijwel elke economische meta-analyse, maar die ook
in andere onderzoeksgebieden een belangrijk probleem vormen. Ten eerste heeft
vrijwel elke economische meta-analyse te maken met systematische variatie in
empirische schattingen veroorzaakt door, onder andere, misspecificatie in
primaire modellen. Ten tweede hebben meta-analyses in het algemeen te maken met
aselecte variatie in empirische schattin-gen welke wordt veroorzaakt doordat
uitkomsten van empirische studies verschillen in precisie en doordat de omvang
van de te bestuderen relatie op aselecte wijze varieert tussen primaire
studies. Ter introductie besteden we in Hoofdstuk 3 uitgebreid aandacht aan deze
problemen en presenteren we de metaschatters die zijn ontwikkeld om de
potentieel negatieve effecten van deze problemen te verminderen of teniet te
doen. In Hoofdstukken 4 en 5 van deze dissertatie bestuderen wij de effecten
van
de hierboven beschreven methodische problemen en onderzoeken we de
niet-asymptotische eigenschappen van een aantal bekende en veelgebruikte
metaschatters. De relevante onderzoeksvraag in deze hoofdstukken is of, en zo
ja
in hoeverre, de meta-modellen die ontwikkeld om deze methodische problemen
tegen
te gaan ook daadwerkelijk effectief zijn.
In Hoofdstuk 6 presenteren we de
meta-analyse naar het effect van onzekerheid op investeringsgedrag, terwijl
Hoofdstuk 7 een meta-analyse presenteert naar het potentieel voor substitutie
tussen kapitaalgoederen en energie. Gegeven de variatie aan theoretische en
empirische inzichten is richten de twee meta-analyses zich ten eerste op het
verschaffen van inzicht in de richting en omvang van het effect van onzekerheid
op investeringen en het potentieel voor substitutie van kapitaal voor energie. De onder liggende empir ische studies vertonen echter niet slechts variatie in
de empirische schattingen. Ook in onderzoeksopzet en modelspecificatie zijn
aanzienlijke verschillen aanwezig, en het is niet aannemelijk dat uitkomsten
van
studies met verschillende modelspecificaties ook dezelfde onderliggende
populatie representeren. Dientengevolge is het aannemelijk dat er aanzienlijke
systematische variatie aanwezig is in de uitkomsten van de onderliggende
empirische studies. Daarom is een tweede en zeker niet minder belangrijke
doelstelling van de twee empirische applicaties om te onderzoeken welke
factoren
(verschillen in opzet en modelspecificatie van primaire empirische studies)
daadwerkelijk relevant zijn voor het verklaren van variatie in de
uitkomsten.
Belangrijkste Onderzoeksresultaten
Meta-analyse als methode van onderzoek
Met behulp van
Monte-Carlo
simulatie technieken trachten wij in Hoofdstukken 4 en 5 de praktijk van het
doen van een meta-analyse te repliceren. Kort samengevat hanteren wij in deze
hoofdstukken het volgende datageneratie proces. We genereren primaire data
waarbij we de richting en omvang van de werkelijke empirische relatie bepalen. Vervolgens schatten wij de primaire modellen en gebruiken we de uitkomst van
het
schatten van deze modellen als input voor de meta-analyses. Tenslotte gebruiken
we verscheidene meta-modellen voor het schatten van een meta-effect en
analyseren we de afwijking tussen dit geschatte effect en de werkelijke
empirische relatie. Hierbij gebruiken we de bias en de variantie van de
schatter
en de statistische significantie van het geschatte effect om het presteren van
de verschillende meta-modellen te meten.
In Hoofdstuk 4 bestuderen we de
invloed van systematische variatie in uitkomsten van empirische studies, welke
wordt veroorzaakt door misspecificaties in primaire modellen, op de uitkomsten
van een meta-analyse. De standaard procedure om te corrigeren voor dit soort
problemen is het opnemen van dummyvariabelen in de meta-modelspecificatie. We
analyseren het presteren van deze schatter ten opzichte van het presteren van
een metaschatter die geen rekening houdt met systematische variatie in
empirische uitkomsten. Specifiek komt deze laatste schatter neer op het
simpelweg berekenen van het gemiddelde van de empirische uitkomsten. Hoofdstuk
5
behandelt aselecte variatie in empirische uitkomsten, welke wordt veroorzaakt
door het feit dat uitkomsten van empirische studies verschillen in precisie en
doordat de omvang van de te bestuderen relatie op aselecte wijze varieert
tussen
primaire studies. Deze twee vormen van variatie worden over het algemeen in een
meta-analyse opgenomen door de uitkomsten van studies (en ook de
dummyvariabelen
als deze zijn opgenomen in de modelspecificatie) te wegen met hun
respectievelijke standaardfouten. We analyseren de effectiviteit van dergelijke
schatters in het reduceren van de effecten van de twee hierboven genoemde
problemen.
Details en nuanceringen buiten beschouwing latend zijn de
resultaten eenduidig. Het opnemen van dummyvariabelen in de
meta-modelspecificatie is in hoge mate effectief in het tegengaan van de
negatieve effecten van systematische variatie in uitkomsten van empirische
studies. Ook blijkt dat de negatieve effecten van aselecte variatie aanzienlijk
geringer zijn wanneer de geschatte variantie van studie uitkomsten wordt
opgenomen in de meta-modelspecificatie. De resultaten in Hoofdstuk 5 laten zien
dat meta-modellen die de data wegen met de standaardfouten van de empirische
schattingen (i.e., de ‘fixed effects’ regressie en de ‘mixed effects’
schatter),
beduidend beter presteren dan de OLS schatter wanneer we de heterogeniteit in
va-riantie van studies doen toenemen (ofwel, de heteroskedasticiteit in de
meta-analyse doen toenemen). Deze patronen veranderen in belangrijke mate
wanneer we de werkelijke empirische relatie laten variëren tussen studies, en
de
variantie van deze populatie van ware onderliggende effecten doen toenemen. In
deze situatie neemt het presteren van de ‘fixed effects’ schatter ten opzichte
van het presteren van de andere twee schatters af, omdat deze schatter geen
rekening houdt met de mogelijkheid dat de werkelijke empirische relatie niet
constant is tussen studies. Verder convergeert de OLS schatter naar de ‘mixed
effects’ schatter omdat de gewichtenstructuren van beide schatters meer en meer
op elkaar gaan lijken wanneer de variantie van de verdeling van de werkelijke
empirische relatie toeneemt. Conclusie laten onze resultaten zien dat onder
alle
omstandigheden de ‘mixed effects’ schatter met dummyvariabelen om te
controleren
voor systematische variatie te prefereren is boven de overige metaschatters. Als
kanttekening dient te worden opgemerkt dat het moeilijk is om vast te stellen
in
hoeverre onze kwantitatieve resultaten de werkelijkheid van het doen van
meta-analyse in economisch onderzoek benaderen. Daarentegen zijn we er van
overtuigd dat de kwalitatieve patronen en bevindingen niet specifiek zijn voor
onze experimenten, en daarom ook algemene methodische implicaties hebben.
De invloed van onzekerheid op investeringen
In Hoofdstuk 6 doen
we een meta-analyse op het teken en de statistische significantie van
empirische
schattingen van het effect van onzekerheid op investeringen. We schatten twee
verschillende modellen. Ten eerste passen we de procedure toe die gebruikelijk
is bij het doen van een dergelijke meta-analyse. We delen de empirische
uitkomsten op in verschillende categorieën, gebaseerd op hun teken en
statistische significantie, en schatten vervolgens een ‘ordered probit’ model
op
de resulterende categoriale variabele. In ons geval delen we de uitkomsten op
in
significant negatieve, insignificante, en significant positieve uitkomsten, en
schatten we een ‘ordered probit’ model met dummyvariabelen om te corrigeren
voor
systematische variatie. Een nadeel van bovenstaande procedure is dat het
creëren
van een categoriale variabele automatisch leidt tot het onnodig weggooien van
beschikbare en mogelijk relevante informatie over de uitkomsten van studies. Om
deze reden passen we een tweede procedure toe, waarbij we een regressiemodel
schatten op de z-waarden van de empirische uitkomsten. Uiteindelijk presenteren
we de marginale effecten voor deze twee modellen, ofwel de veranderingen in de
kans op het vinden van een significant negatieve, een insignificante, en een
significant positieve empirische uitkomst.
Hoewel de resultaten geen
definitief inzicht verschaffen in de richting van het effect van onzekerheid op
investeringen, blijkt uit een simpele telling van studie-uitkomsten dat slechts
een zeer beperkt aantal studies een positieve relatie schat die statistisch
significant is op een significantieniveau van 5%. Dit wordt bevestigd door de
schatting van onze meta-modellen, welke laten zien dat de kans op het vinden
van
een significant positieve relatie klein is. Verder blijkt uit de marginale
effecten dat, met een klein aantal uitzonderingen, de meeste factoren die een
effect zouden kunnen hebben op de uitkomst van een studie geen substantieel
effect hebben op de kans van het vinden van een positief significant
resultaat.
Aangezien in de literatuur verscheidene factoren zijn
geïdentificeerd die de richting van de relatie kunnen beïnvloeden, is een
tweede
en niet minder belangrijke onderzoeksvraag welke factoren daadwerkelijk
empirisch relevant zijn. Ondanks dat meta-analyse in het algemeen geen
definitieve inzichten kan verschaffen in de empirische relevantie en
correctheid
van bepaalde onderliggende theorieën, aannamen en modelspecificaties, kan het
toepassen van de methode wel bijdragen aan het verklaren van de variatie in
uitkomsten van empirische studies. Het blijkt dat de uitkomsten van de twee
geschatte meta-modellen kwalitatief vergelijkbaar zijn. De resultaten laten
zien
dat verscheidene factoren relevant zijn in het verklaren van de variatie in
uitkomsten van studies, ondanks dat de twee modellen bij sommige factoren
verschillen over de richting en omvang van het effect. Verschillen tussen
primaire studies in de wijze van het meten van investeringen en onzekerheid, en
verscheidene operationele verschillen, blijken relevant te zijn. Verder
verschaft de invloed van verschillen in modelspecificatie op het resultaat van
een studie belangrijk inzichten voor theoretische discussies. Zo laat de
invloed
van de specificatie van een investeringsmodel op de uitkomst van de studie zien
dat de ad hoc wijze van modelbouw in empirische investeringsstudies
aanzienlijke consequenties kan hebben voor de uitkomsten van een studie. Zo
heeft het niet opnemen van prijzen van inputfactoren in investeringsmodellen
een
grote invloed op de uitkomst van de studie, maar ook andere verklarende
variabelen, zoals de financiële situatie en de omvang van een bedrijf, blijken
uitermate relevant.
Substitutie tussen kapitaalgoederen en energie in productieprocessen
De meta-analyse in Hoofdstuk 7 is gericht op het bestuderen van het
potentieel voor substitutie tussen kapitaalgoederen en energie in een
productieproces. Het overgrote merendeel van de empirische studies over dit
onderwerp gebruikt eenzelfde productiefunctie voor het schatten van deze
relatie, waardoor de verschillen in empirische uitkomsten niet gerelateerd
kunnen zijn aan verschillen in de gebruikte productiefunctie. Wel is een
belangrijk onderscheid te maken tussen kruisprijs en
substitutie-elasticiteiten. De eerste meet een procentuele verandering in de vraag naar kapitaal ten
gevolge
van een één-procent toename in de prijs van energie. Aldus incorporeert een
kruisprijs elasticiteit de inkomenseffecten ten gevolge van een verandering in
de prijs van energie, en meet deze elasticiteit het economische en niet het
technische substitutiepotentieel. Substitutie of Morishima elasticiteiten laten
deze inkomenseffecten buiten beschouwing en meten precies het technische
substitutiepotentieel. Welke elasticiteit geprefereerd dient te worden hangt
met
name af van de onderzoeks- of beleidsvraag. Beleidsplannen gericht op
energiemanagement zullen geïnteresseerd zijn in de daadwerkelijke verandering
in
de vraag naar energiebesparende kapitaalgoederen. Wetenschappelijke studies
naar, bijvoorbeeld, puur substitutiepotentieel in verschillende sectoren van de
economie waarschijnlijk meer geïnteresseerd zijn in substitutie-elasticiteiten. Om deze reden gebruiken we beide typen elasticiteiten en voeren we een analyse
uit op het teken en de omvang van de geschatte elasticiteiten uit bestaande
empirische studies. We gebruiken een ‘mixed effects’ model met dummyvariabelen
om te controleren voor systematische variatie in de empirische schattingen, en
schatten het model met aparte coëfficiënten voor kruisprijs en
substitutie-elasticiteiten. De resultaten geven een duidelijk inzicht in welke
factoren relevant zijn in het verklaren van de variatie in empirische
schattingen. Met name het uitsluiten van parameters die corrigeren voor
niet-neutrale technologische veranderingen heeft een grote invloed op zowel de
geschatte kruisprijs als de geschatte substitutie-elasticiteit. Verder geven
primaire studies vertekende schattingen van de kruisprijs elasticiteit wanneer
parameters voor schaalopbrengsten en materiaal als input factor worden
weggelaten uit de productiefunctie schattingen. Substitutie-elasticiteiten
blijken echter niet gevoelig voor het niet opnemen van deze laatste twee
parameters in productiefunctieschattingen. Onze resultaten suggereren aldus dat
kapitaal en energie te separeren zijn van materiaal in het schatten van een
productiefunctie. Aan de andere kant blijkt dat studies die gebruik maken van
cross-sectie en panel data hogere substitutie-elasticiteiten produceren,
waarschijnlijk omdat deze typen data meer langetermijn veranderingen
incorporeren. Verder blijkt het jaar van evaluatie van de elasticiteit niet bij
te dragen aan een verklaring van de variatie in uitkomsten. Dit suggereert dat
de toename in beschikbaarheid en het presteren van energiebesparende
technologieën over de jaren niet heeft geleid tot een toename in
substitutiepotentieel. De verklaring voor dit enigszins verrassende resultaat
is
waarschijnlijk dat het overgrote deel van de studies gebruikt maakt van data
uit
de jaren zeventig en tachtig. Omdat het aantal studies uit de jaren negentig
beperkt is kunnen nauwelijks conclusies getrokken worden over de ontwikkeling
van kapitaalenergie substitutiepotentieel in meer recente jaren.
Rekening
houdend met de systematische variatie in uitkomsten, laten onze resultaten zien
dat technisch substitutiepotentieel tussen kapitaalgoederen en energie
omvangrijk is. De ideaaltypische geschatte substitutie-elasticiteit is gelijk
aan .64 op korte termijn, en stijgt naar .89 en 1.21 in de middellange en lange
termijn, respectievelijk. Echter, ondanks dat het technische
substitutiepotentieel aanzienlijk is, overheerst het inkomenseffect op korte en
middellange termijn; de kruisprijs elasticiteiten zijn klein en statistisch ni
et verschillend van nul. Op lange termijn daarentegen overheerst het
substitutie-effect, wat er op wijst dat ook het economisch
substitutiepotentieel
groot is, maar dat een daadwerkelijke verandering in de vraag naar
energiebesparende kapitaalgoederen ten gevolge van een verandering in de prijs
van energie een langetermijn fenomeen is.
Conclusies en Vervolgonderzoek
Ondanks dat de potentiële voordelen van meta-analyse als methode van
onderzoek bekend zijn, is de toepassing van de methode binnen economisch
onderzoek van relatief recente datum. Een mogelijke reden hiervoor is dat
meta-analyse, en met name de toepassing van de methode binnen economisch
onderzoek, enkele specifieke methodische problemen kent. Tot nu toe is relatief
weinig ondernomen om de invloed van deze problemen op de resultaten van een
meta-analyse te onderzoeken. Om deze reden bestuderen we in deze dissertatie de
effecten van enkele veelvoorkomende methodische problemen. Daarbij laten we met
behulp van Monte-Carlo simulaties zien dat de negatieve invloed van deze
problemen op de resultaten van een meta-analyse grotendeels ondervangen kan
worden door het toepassen van bekende meta-analytische methoden. Onze
bevindingen tonen aan dat meta-analyse als methode van onderzoek een aantal
belangrijke voordelen kent. Dit wil uiteraard niet zeggen dat meta-analyse geen
beperkingen heeft. Mogelijk restricties doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de
geschatte coëfficiënten van primaire studies niet dezelfde meeteenheid hebben,
wat een analyse van de omvang van de onderliggende relatie moeizaam of zelfs
onmogelijk maakt. Verder is het onderzoeken van de mogelijke oorzaken van
variatie in studie-uitkomsten afhankelijk van de mate van variatie in
karakteristieken van de onderliggende studies. Om deze redenen moeten de
inzichten verkregen uit meta-analyse gezien worden als een aanvulling op, en
niet als een vervanging van, de inzichten verkregen uit descriptieve
literatuuroverzichten en primaire analyses. Deze mogelijke beperkingen in
ogenschouw nemend, laten de toepassingen in Hoofdstukken 6 en 7 zien dat
meta-analyse een substantiële bijdrage kan leveren aan het begrijpen van
economische fenomenen. Bovendien kan een meta-analyse verklaren geven voor de
verschillen in empirische inzichten over een bepaald onderwerp. Dit laatste
maakt dat de methode bijdraagt aan verdere theoretische ontwikkeling,
aanwijzingen geeft voor modelbouw in toekomstig empirisch onderzoek, en inzicht
verschaft in de mogelijke consequenties van de in empirische studies te maken
keuzes (bijvoorbeeld met betrekking tot het type data dat wordt gebruikt, of
aangaande de econometrische specificatie van het empirische model). Bovendien
laten de resultaten in Hoofdstuk 7 zien dat meta-analyse schattingen produceert
die gebruikt kunnen worden voor het kalibreren van belangrijke parameters in
economische modellen.
Uiteraard zijn er verschillende methodische problemen
die achterwege gelaten zijn in deze dissertatie. Vervolgonderzoek moet
bijvoorbeeld uitwijzen in hoeverre de kwantitatieve bevindingen van onze
Monte-Carlo simulaties de werkelijkheid van het doen van meta-analyse in
economisch onderzoek voldoende benaderen. Hiervoor zouden we de parameters in
ons studieontwerp in meer detail dienen te kalibreren, bijvoorbeeld door de
uitkomsten van de primaire studies verder af te stemmen op uitkomsten van
werkelijke empirische studies. Verder is een interessante extensie van ons
studieontwerp om andere veelvoorkomende problemen in primaire studies te
introduceren, zoals multicollineariteit, heteroskedasticiteit, en
autocorrelatie. Het effect van deze zaken op standaardfouten van empirische
schattingen, en daarmee op het presteren van metaschatters die deze
standaardfouten opnemen in de model-specificatie, is grotendeels onbekend. Tenslotte, aangezien standaardfouten van schattingen in primaire studies niet
altijd beschikbaar zijn, wordt vaak voorgesteld om het aantal observaties in
een
primaire studie te gebruiken als benadering van de standaardfout. Echter, omdat
het aantal observaties slechts een van de factoren is die de omvang van de
standaardfout beïnvloedt, is het van belang om te onderzoeken onder welke
omstandigheden het gebruiken van het aantal observaties in een primaire studie
een goed alternatief is voor het gebruiken van de standaardfout.
In deze
dissertatie zijn twee potentieel belangrijke methodische problemen, die
aangeduid worden met ‘public ation bias’ en ‘multiple sampling’, achterwege
gelaten. ‘Publication bias’ wordt veroorzaakt doordat de te gebruiken
empirische
schattingen in een meta-analyse niet op aselecte wijze worden geselecteerd. Denk
hierbij bijvoorbeeld aan een selectie op basis van de omvang en de statistische
significantie van schattingen, wat tot een mogelijke vertekening van de
resultaten van een meta-analyse leidt. Ondanks dat uitgebreid onderzoek is
gedaan naar de mogelijke consequenties van dit probleem (zie, onder andere,
Stanley, 2005; Florax, 2002a; Sutton et al., 2000b; Hedges, 1992), zijn deze
analyses in het algemeen gebaseerd op mogelijk restrictieve veronderstellingen. Onderzoek naar de beperkingen van procedures en correcties voor ‘publication
bias’ wanneer deze veronderstellingen worden losgelaten is grotendeels afwezig. Het ‘multiple sampling’ probleem doet zich voor wanneer in een meta-analyse
meerdere resultaten uit eenzelfde studie (of afkomstig van eenzelfde dataset)
worden gebruikt. Hierdoor ontstaat afhankelijkheid tussen de observaties in de
meta-analyse, wat tot vertekening van de resultaten kan leiden. Beoordeeld op
basis van inzichten van studies naar dit specifieke probleem (zie, onder
andere,
Bijmolt en Pieters, 2001; Brons en Florax, 2005), is de wijze waarop we voor
dit
probleem corrigeren in onze empirische applicaties mogelijk niet optimaal. Echter, het model dat door ons optimaal is bevonden voor het corrigeren van
aselecte variatie in empirische uitkomsten, en het model om te corrigeren voor
‘multiple sampling’ (zie Bijmolt and Pieters, 2001), zijn niet te verenigen. In
dit licht is het vergelijken van deze twee modellen onder aselecte variatie in
empirische uitkomsten, en onder ‘multiple sampling’, cruciaal voor verdere
ontwikkeling van meta-modellen.
